door Connie Hofstee –
“Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land?”
Deze beroemde zinnen vormen het begin van het beroemde sprookje Sneeuwwitje. De nieuwe koningin ontleent haar identiteit aan haar schoonheid. Wanneer Sneeuwwitje ouder en mooier wordt, heeft dit grote gevolgen voor de koningin. Haar identiteit dreigt te verdwijnen. En dat laat zij niet gebeuren!
Het woord ‘identiteit’ komt van het Latijnse ‘idem’ en betekent ’hetzelfde’, ’dezelfde’, ’gelijke’. Het is het geheel van factoren die iemand kenmerken en als individu onderscheiden. Identiteit wordt ook verklaard als eenheid van wezen, volkomen overeenstemming, persoonsgelijkheid.
In onze tijd ontlenen veel mensen hun identiteit aan hun beroep. Wanneer iemand zich voorstelt, komt in de tweede zin vaak al het beroep ter sprake. Pensionering kan dan een identiteitscrisis teweegbrengen. Er zijn zelfs cursussen voor mensen die binnenkort met pensioen gaan hoe om te gaan met de vrije tijd en het verlies van identiteit.
Verhuizen geeft ook vaak stress op het gebied van identiteit. Wanneer je in je oude woonplaats van alles had opgebouwd en daarmee een stuk identiteit had verworven, moet je in je nieuwe woonplaats soms weer van voor af aan beginnen.
In het recente verleden ontleenden veel vrouwen hun identiteit aan hun gezin en het beroep met bijbehorende status van hun man. Het gezin moest een modelgezin zijn waar alles op rolletjes liep. We kennen de plaatjes misschien nog uit oude Margriet of Libelle. En de status van de man zorgde ervoor dat de vrouw interessant vrijwilligerswerk kon doen in bestuursfuncties.
Het gaat er hierbij vooral om ‘wat je doet’ en ‘wat je hebt’. Je identiteit ontleen je aan iets uit je omgeving. Iets buiten jezelf.
In de Bijbel zien we dat God aan mensen identiteit verleent. Hij laat priesters zoals Samuel iemand zalven die daarmee koning is. Dit gebeurde bij Saul en later ook bij David. Dat wil niet zeggen dat zo iemand dan ook direct een koningsmantel om kan doen, in een paleis kan wonen en zich kan gedragen als een koning. Met name David heeft er nog jaren op moeten wachten om zijn ‘koning zijn’ om te kunnen zetten in ‘zich als koning gedragen en zo handelen’. Zijn identiteit was hem al wel verleend, maar die was nog niet zichtbaar voor anderen. Hij kon zijn identiteit nog niet in daden uiten. Niets in zijn omgeving wees op zijn identiteit.
Toch kon niemand meer iets afdoen aan Davids identiteit. Hij was koning! Hoe hij ook leefde en wat hij ook kon doen of juist niet kon doen. Hij ontleende zijn identiteit aan de zalving door de profeet namens God.
Met de komst van de Heilige Geest hebben ook wij een identiteit ontvangen. In ons zelfs. De Heilige Geest is in ons komen wonen. Wij zijn kinderen van God. Hoe onze omgeving ook is, wat we ook doen of juist niet doen, we zijn Gods kinderen. We ontlenen onze identiteit aan die grote God die met zijn Heilige Geest in ons is komen wonen. Daarom noemt Paulus in 2 Kor. 5:17 ons ook een nieuwe schepping. Dat hangt niet af van ons huis of onze nieuwe kleren, van trouw naar de kerk gaan of wat dan ook. Dat is simpel door de Heilige Geest.
Als we naar David kijken, zien we dat hij zich steeds meer ging gedragen als een koning. Hij groeide in zijn identiteit ondanks zijn bekende uitglijers. Als we naar onszelf kijken, zouden we ook steeds meer kunnen groeien in onze identiteit als kind van God. Ondanks onze uitglijers zouden we steeds meer kunnen gaan lijken op een koningskind. Ongeacht in welke omgeving we ons ook bevinden, we hebben onze identiteit in Christus.
Iemand zei ooit eens in een deprimerende omgeving: “nu ik hier toch ben, kan ik net zo goed hier christen zijn”. Hij had zijn identiteit van God gekregen en behouden.
Ook wij hebben onze identiteit gekregen. We zijn een nieuwe schepping. Hij heeft zijn identiteit in ons gelegd, waar we ons ook bevinden.





