Wanneer wij bidden, spreken we tot onze God. Onze Eeuwige en Enige. Als discipel kunnen we vrijuit praten met God. We hoeven geen verheven taal te gebruiken of een enorme omhaal van woorden. We hoeven ook geen “bidstem” op te zetten als we met God spreken. We mogen gewoon praten als kinderen met hun vader die ze vertrouwen en die ze goed kennen.
Soms hoor je weleens in gebed dat er heel voorzichtig dingen gevraagd worden. De uitdrukking “Als het mocht staan te gebeuren…..” is daarvan een mooi voorbeeld. We mogen echter vrijuit vragen bij God. Wanneer we bidden, mag dat met “choetspa”. Dat betekent met een bepaald soort brutaliteit. Jezus vertelt zelfs in Lucas 18:2-5 de gelijkenis van de weduwe die blijft aandringen dat haar recht wordt gedaan bij een rechter die geen ontzag had voor God en zich niets aan de mensen gelegen liet liggen. Uiteindelijk is de rechter zover dat hij haar recht verschaft om van haar af te zijn. Ze blijft aanhouden en doorgaan totdat hij haar recht verschaft.
Zo’n vergelijking wordt vaker verteld in de Bijbel, waarbij er na dit verhaal als ”kal wachomer”, (letterlijk licht en zwaar), wordt ingegaan op hoeveel te méér onze liefhebbende rechtvaardige God dan wel zal doen. En bij Hem hoeven we niet alles uit de kast te trekken om ons recht te krijgen. We mogen gewoon zeggen wat er aan de hand is, wat het probleem is en vragen om een oplossing van God. Waarbij we mogen vertrouwen dat God het probleem aanpakt. De oplossing kennen we nog niet, maar we weten dat God ermee aan het werk is. En God is zéker ook geen rechter die zich niets gelegen laat liggen aan de mensen. Als die vreselijke rechter al recht verschaft, hoeveel te méér zal God dan recht verschaffen.
Als wij onze kinderen al geven waarom ze vragen, hoeveel te méér zal God Zijn kinderen dan geven waarom ze vragen. We lezen dat in Matteüs 7:9-11. Als je kind om brood vraagt, geef je hem dan een steen? En als hij je om een vis vraagt, geef je hem dan een slang? Nee natuurlijk niet. Ook zo’n “kal wachomer”-uitdrukking. Al ben je als mens slecht, je geeft je kind wat goed is. Ook hier vertelt Jezus dat we van God een goede oplossing mogen verwachten. God zal ons het goede geven en niet het kwade. Als je al zo als mens reageert, hoeveel te méér zal onze hemelse Vader het goede geven aan wie Hem erom vragen.
“Choetspa” is ook iets wat wij zien in de Bijbel wanneer er gebeden wordt voor anderen. We zien in Genesis18:16-33 Abraham eigenlijk onderhandelen met God over het sparen van de stad Sodom. Hij is heerlijk aan het afdingen. Zijn brutaliteit is eigenlijk een blijk van zijn overweldigende vertrouwen in God. Abraham is een soort discipel die heel vertrouwelijk omgaat met God. Ook Mozes bidt geregeld met “choetspa” voor het volk Israël als dat weer eens ongehoorzaam is geweest. Hij praat hierbij met God als een vertrouweling, als een discipel die God echt heeft mogen leren kennen.
Zo mogen wij ook met “choetspa” bidden tot die God in Wie wij een vast vertrouwen hebben. We hoeven dat niet anders te doen dan als discipel die dagelijks met zijn Meester of Rabbi omgaat. We mogen een vurige pleitbezorger zijn voor een ander als geliefde discipel van God. We mogen ook voor onszelf bidden waarbij we ons probleem aan God voorleggen en Hem vragen om dat op te lossen.





