We kennen allemaal de regel : “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet”. Veel mensen leven daarnaar en vinden dat eigenlijk geweldig van zichzelf. Toch is het iets heel negatiefs op deze manier. Het is ook al een eeuwenoude regel, de gulden regel genoemd, die negatief is opgesteld. Deze regel bestond al in de tijd van Jezus en werd meestal op deze manier gedefinieerd.
Kant noemt dit idee in de 18e eeuw een morele eis, de categorische imperatief: “handel op zo’n manier dat als je handeling een algemene regel zou zijn, iedereen die regel zou kunnen aanvaarden”. Rationeel kunnen we daar allemaal waarschijnlijk mee instemmen. We doen het geweldig als we zo handelen.
Maar dan komt Jezus met Zijn regel in Mattheüs 7:12. Hier is de regel positief geformuleerd. Dat is al een heel verschil. “Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.” In plaats van uit te gaan van ons verstand, gaat Hij uit van het gezag van God. Dit lijkt op Mattheüs 5:43. “Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten. Dit zeg ik daarover: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen; alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. ….. Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.”
Jezus gaat dus zelfs nog veel verder dan wij met ons verstandelijk redeneren en zelfvoldaan achterover leunen als we hieraan voldoen. Behandel niet alleen je vrienden goed en houd niet alleen van je vrienden, maar ook van je vijanden. Wees een naaste voor de ander. En wie is een naaste? Dat kan weleens heel verrassend geen vriend maar een vijand zijn. Dat lezen we in Lucas 10:25-37 in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Vaak horen we dat dat een vijand van het volk Israël was. Misschien wel de dichtstbijzijnde vijand. Samaritanen waren in Jezus’ tijd de nakomelingen van een mengvolk. Tijdens de ballingschap van het tienstammenrijk van Israël waren de belangrijke Israëlieten weggevoerd en waren er onder dwang van de Babyloniërs vreemde volken voor in de plaats gekomen. Er was dus geen sprake meer van broederschap, maar van vijandschap dichtbij huis.
Waarom kiest Jezus nu net voor een Samaritaan? De keus lijkt voor de hand liggend, de Samaritanen wonen zo centraal in het land Israël dat de Joden er altijd omheen moeten lopen om van noord naar zuid te komen zonder door Samaria te trekken. Er heerst vijandschap tussen de twee landen en minachting van de Joden voor dat mengvolk. Toch haalt Jezus de Samaritaan niet alleen aan omdat deze keus voor de hand ligt door het bovenstaande.
Eeuwen eerder zijn de stammen uit elkaar gegaan na het bewind van koning Salomo. Zo ontstaat het tienstammenrijk met de hoofdstad Samaria en het tweestammenrijk met de hoofdstad Jeruzalem. In de boeken Koningen en Kronieken wordt dit uitgebreid beschreven. Het zijn allen Joden, van de tien stammen en van de twee stammen. De twee ontstane rijken, het tienstammenrijk Israël en het tweestammenrijk Juda, komen in oorlog. Israël wint dit gevecht en doodt 120.000 Judeeërs, hun eigen broeders eigenlijk. Verder worden er 200.000 Judeeërs krijgsgevangen gemaakt.
De enige reden echter waarom God had toegestaan dat het tienstammenrijk Israël het tweestammenrijk Juda had verslagen, was om Juda te straffen voor hun afgodendienst. Maar in Israël gebeurde dat nog veel meer! De profeet Oded wees hierop en maande de Israëlieten om hun Judese krijgsgevangenen goed te behandelen. De Israëlieten deden dat op een hele bijzondere manier. Lees maar mee. In 2Kronieken 28:15 staat een hele bijzondere passage.
“Speciaal daartoe aangewezen mannen namen de gevangenen onder hun hoede. Met wat in de buit voorhanden was, kleedden ze degenen die naakt waren. Ze kleedden en schoeiden ze, gaven hun te eten en te drinken, verzorgden hun wonden en zetten degenen die moeizaam voortstrompelden op ezels. Zo begeleidden ze hen tot aan de palmstad Jericho, aan de grens met het gebied van hun broeders, waarna ze terugkeerden naar Samaria.”
We kennen geen enkele oorlog waar de overwinnaars zo genereus zijn voor hun krijgsgevangenen. Dat waren de “voorlopers” van de Samaritanen uit Jezus’ tijd.
We lezen nogmaals over een Samaritaan in Lucas 17:11 waar tien melaatse mannen bij Jezus komen en keurig op een afstand blijven staan om Hem niet te besmetten. Maar vanaf die afstand verheffen zij alle tien hun stem en vragen Jezus om ontferming. Het antwoord van Jezus is dat zij naar de tempel moeten gaan en zich aan de priester moeten tonen als bewijs dat zij genezen zijn. Ziek als ze dan nog zijn, gaan ze alle tien op weg. Dat is al een wonder op zich. Hoeveel van ons zouden dat doen? Terwijl ze heen gaan, worden ze genezen. Eén van de tien ziet dit en keert eerst om, terwijl hij God verheerlijkt, om Jezus te bedanken. En dit is een Samaritaan! Jezus vraagt zich af waar die andere negen zijn. Die zijn immers ook genezen. Brengen zij dan geen dank en eer aan God? Alleen de vreemdeling, de Samaritaan?
Wat Jezus als standaard neemt: “behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden”, betekent dat je een naaste wilt zijn voor de ander. Je dient zelf zo te handelen en hierbij ook je vijanden lief te hebben. Degene die jouw naaste wil zijn, zou nog weleens uit onverwachte hoek kunnen komen, zoals de inwoners van het tienstammenrijk en de Samaritanen.





