Door Sharon Thera-Kips –
Psalm 39:8-10
”8. Heer, waar kan ik nog op hopen? Ik kan alleen maar vertrouwen dat U mij redt! 9. Vergeef mij alles wat ik verkeerd heb gedaan. Zorg er alstublieft voor dat mijn vijanden me niet kunnen uitlachen. 10. Ik zwijg, ik zeg helemaal niets. Want U doet wat U wil.” – Basisbijbel
Psalm 39 zou je eens in zijn geheel moeten lezen! Zo mooi en treffend…
Deze psalm staat voor mij synoniem aan ontzag hebben voor God. David vraagt zich hier af hoe lang hij nog zal leven. Of hij hier ziek is weten we niet, wat we wel lezen is dat hij dit betrekt op zijn zonden of de gevolgen van zijn zonden. Ook beschrijft hij zijn aanklagers en dat hij zijn mond heeft gehouden ipv in woede te reageren.
Als ik heel eerlijk ben vind ik het lastig om voorbij mijn “eigen ik” te kijken. Bijvoorbeeld als ik iets lees op Facebook dan heb ik al snel mijn mening klaar. We mogen op alles een antwoord hebben en als we het antwoord niet weten dan kunnen we dat meestal wel ergens opzoeken. Een eigen mening hebben is gezond. Het hoort bij onze ontwikkeling als individu, maar staat onze mening nog open voor correctie?
Want als ik dit gedachtegoed wil toepassen in mijn leven, dan ontstaat er kortsluiting. Als ik geloof dat er Iemand groter is dan ik en Hij alle antwoorden heeft, en als ik ervoor gekozen heb Zijn weg te volgen (aka christen)… dan doet het er eigenlijk niet meer toe wat ik vind maar wat Hij vindt. Mijn eigen wil is dan ondergeschikt aan Zijn wil.
In Romeinen 7:26 staat het volgende:
‘Het zit dus zo: met mijn geest en mijn verstand wil ik graag gehoorzaam zijn aan de wet van God. Maar mijn ‘ik’ gehoorzaamt aan ‘de wet van het kwaad.’
Dat is dus de reden waarom ik dit zo lastig vind…het zit in mijn – en als ik zo vrij mag zijn; onze – natuur om onze eigen ik te volgen. Zo zuur dat de zondeval daarvoor heeft gezorgd 🙈 Maar daarom ben ik ontzettend blij en dankbaar voor Jezus’ offer! Want dankzij Zijn sterven en opstanding heb ik hoop:
Romeinen 7:23-25
‘Maar mijn ‘ik’ strijdt tegen mijn verstand en wil andere dingen doen. Zo word ik een gevangene van het kwaad dat in mij zit. Wat een vreselijke toestand! Wie kan mij bevrijden van dit ‘ik’ waar het kwaad in woont dat mij doodt? Prijs God: Jezus Christus!’





