Eerdere weken…

Week 49 – 4 t/m 10 december

Maandag 4 december – Ef. 5:17-18

Vers 17:

  • In welke situaties in je leven heb je onverstandig gehandeld? Wat voor invloed had dit op je leven?

In mijn tienerjaren was er een tijd dat half christelijk Nederland met een W.W.J.D. armbandje rondliep. Het was een reminder aan de vraag die je je in heel veel situaties in je leven kunt stellen; What Would Jesus Do.

  • Op welke manier houd jij je bezig met die vraag als het gaat om beslissingen en situaties in je leven?
  • Wat doe jij om te weten wat de wil van Jezus is in je leven en de keuzes die je maakt?

Vers 18:

  • Waar laat jij je geest mee vullen? Wat voor invloed heeft dit op je leven?
  • Op welke manier scherm jij je af tegen invloeden die niet goed voor je zijn?
  • Waarin merk je dat de Heilige Geest jou vult?
  • Geef je de Heilige Geest genoeg de ruimte om je te laten vullen?

Dinsdag 5 december – Ef. 5:19-20

Vers 19:

  • Wat is jouw lievelingslied om met een groep mensen te zingen en waarom?
  • Op welke manier laat jij je tijdens aanbidding leiden door de Heilige Geest?
  • Als je God op dit moment zou willen toezingen, welk lied zou je dan uitkiezen? Waarom dit lied?
  • Neem de tijd om God te aanbidden en geef de Heilige Geest de ruimte om tot je te spreken.

Vers 20:

  • Voor welke dingen ben jij vandaag allemaal dankbaar?
  • Heb je die dankbaarheid naar God uitgesproken? Waarom wel/niet?
  • Neem de tijd om God te bedanken voor alles waar je dankbaar voor bent.

Woensdag 6 december – Ef. 5:21-22

Vers 21:

  • Waarom denk je dat Paulus de oproep doet om elkaars gezag te aanvaarden?
  • Waarin kan dit tot eer en uit eerbied voor Jezus zijn?
  • Wat kun je hiervan leren voor je eigen leven?
  • Waarin zou je hierin nog stappen willen zetten?

Vers 22:

In een geëmancipeerde samenleving wordt er vaak tegen dit vers aangeschopt en beweerd dat dit vers niet meer van deze tijd is.

  • Waarom denk je dat er zoveel weerstand tegen dit vers is?
  • Hoe denk je dat dit vers bedoeld is?
  • Wat denk je dat God voor ogen heeft voor de rolverdeling tussen man en vrouw?
  • Op welke manier laat God zichzelf hierin zien?

Donderdag 7 december – Ef. 5:23-24

Vers 23:

  • Op welke manier staat Jezus in jouw gemeente aan het hoofd?
  • Op welke manier staat Jezus in jouw leven aan het hoofd?
  • Wat voor invloed heeft het op jou en je leven als Jezus centraal en aan het hoofd staat?
  • Op welke manier kan een huwelijk dit weerspiegelen?

Vers 24:

  • Wat zou er gebeuren als het in een gemeente niet duidelijk is wie er gezag heeft of als we iemand zouden volgen die geen liefde heeft voor de gemeente?
  • Waarom is het zo belangrijk dat we als gemeente het gezag van Jezus erkennen?
  • Wat denk je dat het doel is van de vergelijking die in dit vers wordt gemaakt?
  • Wat kun je persoonlijk leren van dit vers?

Vrijdag 8 december – Ef. 5:25-26

Vers 25:

In een wereld waar gezag wordt misbruikt en ‘#me too ‘ aan de orde van de dag is, zouden we bijna vergeten dat God het zo anders bedoeld heeft. Jezus is vol liefde en wil niets liever dan Zijn liefde en zegen over ons uit storten. Die opdracht geeft Hij mee aan de man in het huwelijk, zodat Zijn liefde gereflecteerd kan worden.

  • Kun jij de liefde van Jezus volledig ontvangen en toelaten? Waarom wel/niet?
  • Zijn er dingen in je leven gebeurd of gebeuren er dingen in je leven waardoor je geen/minder liefde kunt geven en ontvangen?
  • Hoe ga je om met de gebrokenheid van deze wereld in relatie met dit vers?
  • Neem de tijd om bovenstaande dingen met God te bespreken. Stort je hart uit bij Hem, en als zelfs God niet veilig voelt, spreek dit ook uit naar Hem. Hij wil niets liever dan Zijn waarheid aan jou bekend maken en wat gebroken is heel maken.

Vers 26:

  • Wat betekent het voor jou dat Jezus Zijn leven heeft gegeven zodat jij heilig kunt zijn?
  • Wat betekent de doop voor jou persoonlijk? Herken je daarin de reiniging waarover wordt gesproken in dit vers?
  • Op elke manier kunnen woorden reinigend werken?
  • Hoe kun je zorgen dat reinigende woorden bij jou binnenkomen?

Zaterdag 9 december – Ef. 5:27-28

Vers 27:

  • Welk beeld heb jij van jezelf/ hoe kijk je naar jezelf?
  • Wat betekent het voor jou dat jij door Jezus en je geloof in Hem zonder vlek of rimpel bent?
  • Komt het beeld dat jij hebt over jezelf overeen met het beeld dat God van je heeft? Waarom wel/niet?
  • Bespreek bovenstaande dingen met God, vraag Hem waarheid te spreken in dingen waarin jij nog niet de waarheid over jezelf kunt zien.

Vers 28:

  • Wat wordt er bedoeld met de zin ‘ Wie zijn vrouw liefheeft, heef zichzelf lief’?
  • Kun jij de ander liefhebben als jezelf? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier betrek je God bij het liefhebben van de ander?

Zondag 10 december – Ef. 5:29-30

Vers 29:

  • Wat doe jij om lichamelijk gezond te blijven? Waarom doe je dit?
  • Wat doe je om geestelijk gezond te blijven? Waarom doe je dit?
  • Hoe laat jij je geestelijk voeden en verzorgen door Jezus?
  • Op welke manier kun jij a.d.h.v. dit vers Jezus reflecteren?

Vers 30:

  • Op welke manier ben jij onderdeel van het lichaam van Jezus?
  • Op welke manier geef jij anderen de ruimte om op hun eigen manier onderdeel te zijn van het lichaam van Jezus?
  • Kunnen mensen in jouw omgeving die niet bij het lichaam van Jezus horen, merken dat jij daar wel onderdeel van uit maakt?
  • Op welke manier kun jij niet christenen uitnodigen om onderdeel te worden van het lichaam van Jezus?

Week 48 – 27 november t/m 3 december

Maandag 27 november – Ef. 5:3-4

Vers 3:

  • Zijn er dingen in jouw leven die niet bij een leven met Jezus horen?
  • Welke dingen horen bij het leven van een christen?
  • Leef je daarnaar? Waarom wel/niet?
  • Kunnen mensen in jouw omgeving aan jouw daden zien dat je een christen bent?

Vers 4:

  • Kunnen mensen in jouw omgeving aan jouw woorden merken dat je een christen bent?
  • Waarin kun je in je woorden laten zien dat je bij Jezus hoort?
  • Neem de tijd om je dank uit te spreken naar God

Dinsdag 28 november – Ef. 5:5-6

Vers 5:

  • Welke afgoderij herken jij in je omgeving?
  • Laat jij je erdoor beïnvloeden? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier kun jij een tegengeluid geven aan deze afgoderij?
  • Hoe kun jij God eren met je leven?

Vers 6:

  • Hoe herken jij die loze woorden in jou omgeving?
  • Hoe ga jij hiermee om? Maak jij je wel een schuldig aan loze woorden?
  • Welke waarheden kun jij zetten tegenover de loze woorden?
  • Waarin ben jij God gehoorzaam?

Woensdag 29 november – Ef. 5:7-8

Vers 7:

  • Op welke manier word jij beïnvloed door het gedrag van mensen om je heen?
  • Pas jij je gedrag aan, aan mensen om jou heen? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier kun jij in je gedrag Jezus reflecteren?

Vers 8:

  • Hoe onderscheid jij het licht van God en de duisternis van de satan?
  • Wat betekent het voor jou dat je in het licht van God mag leven?
  • Op welke manier bewandel jij de weg van een kind van het licht?
  • Hoe kun je die weg aantrekkelijk maken voor mensen in je omgeving?

Donderdag 30 november – Ef. 5:9-10

Vers 9:

  • Waarin zie jij de effecten van de duisternis?
  • Waarin zie jij de effecten van het licht van God?
  • Hoe zou je met de effecten van het licht de duisternis kunnen overwinnen?
  • Op welke manier is goedheid, gerechtigheid en waarheid te zien in hoe jij je leven leidt?

Vers 10:

  • Hou zij jij de wil van God beschrijven als je de Bijbel leest?
  • Op welke manier ben jij bezig met de wil van God?
  • Op welke manier betrek jij God bij de keuzes die je maakt groot of klein?
  • Neem de tijd om stil te worden voor God en vraag Hem wat Zijn wil is voor jou? Door de Bijbel te lezen leer je God en Zijn wil kennen, daarmee kun je ook toetsen wat Zijn wil is.

Vrijdag 1 december – Ef. 5:11-12

Vers 11:

  • Welke vruchteloze praktijken herken jij in je omgeving?
  • Hoe ga jij hiermee om?
  • Welke waarheden van God kun jij tegenover deze vruchteloze praktijken zetten?
  • Op welke manier kun jij met Gods hulp de vruchteloze praktijken ontmaskeren?

Vers 12:

  • Zijn er dingen in jouw leven die je het liefst voor God verborgen zou houden omdat je je ervoor schaamt? Waarom wel/niet?
  • Zijn er gebeurtenissen of leugens in jouw leven die jij verborgen houdt voor de buitenwereld?
  • Welke waarheden over jezelf en over God zijn bij jou (gedeeltelijk) ondergesneeuwd door de leugens van de wereld en daardoor verborgen?
  • Neem de tijd om bovenstaande dingen bij God neer te leggen. Geef Hem de ruimte om te spreken.

Zaterdag 2 december – Ef. 5:13-14

Vers 13:

  • Welke waarheden heb jij in je leven leren kennen over God en jouw identiteit in Hem?
  • Wat betekenen deze waarheden voor jouw dagelijks leven?
  • Welke dingen uit jouw leven moet jij nog naar het licht brengen zodat je (meer) in Gods vrijheid kan leven?
  • Neem de tijd om jezelf helemaal aan God te geven en laat Hem waarheid spreken over jou en je leven.

Vers 14:

  • Op welke manier ben jij bewust van geestelijke strijd in je leven?
  • Ben jij waakzaam (genoeg) om geestelijke strijd te herkennen en te bestrijden?
  • Op welke manier ben jij je bewust dat je leeft voor Jezus?

Wat betekent het voor jou dat Jezus over je wil stralen? Herken je dit in je leven?

Zondag 3 december – Ef. 5:15-16

Vers 15:

  • Welke wegen heb jij bewandeld in je leven? Wat waren de gevolgen van je wandel?
  • Bewandel jij op dit moment de weg die God wil dat je bewandeld? Waarom wel/niet?
  • Waarin herken jij het verschil tussen wijze en dwaze mensen? Bij welke categorie hoor jij over het algemeen?
  • Waar haal jij je wijsheid vandaan en hoe pas je die wijsheid toe in je leven?

Vers 16:

  • Welke prioriteiten stel jij in een gemiddelde week? Waarom stel je die prioriteiten?
  • Welke plek heeft God in je week en dag? Waarom geef je God die plek?
  • Op welke manier zou jij je tijd (nog meer) kunnen inzetten voor Gods Koninkrijk?
  • vertel aan God welke plek jij Hem zou willen geven in je dagelijks leven en vraag Hem om je daarbij te helpen.

 

Week 47 – 20 t/m 26 november

Maandag 20 november – Ef. 4:21-22

Vers 21:

  • Wat hebben mensen in jouw omgeving van jou gehoord over Jezus?
  • Wat hebben mensen in jouw omgeving van jou kunnen leren over wie Jezus is?
  • Op welke manier zorg jij dat je Jezus steeds beter leert kennen en van Hem blijft leren?

Vers 22:

  • Heb jij nog dingen in je leven die niet bij je leven als christen horen? Waarom wel/niet?
  • Heb jij nog begeerten die niet bij het leven met Jezus horen? Waarom wel/niet?
  • Hoe kun jij door de manier waarop je leeft, aan de mensen om je heen laten zien dat jij bij Jezus hoort?

Dinsdag 21 november – Ef. 4:23-24

Vers 23:

  • Waardoor wordt jouw denken het meest beïnvloed in het dagelijks leven? Hoe komt dit?
  • Welke dingen beïnvloeden jouw denken op een negatieve manier?
  • Wat kun je er aan doen om deze negatieve invloed te beperken?
  • Hoe laat jij je vullen met Gods waarheid?
  • Hoe zorg jij ervoor dat je geest voortdurend vernieuwd wordt?
  • Praat over bovenstaande vragen met God.

Vers 24:

  • Wat betekent het voor jou dat jij een nieuw mens bent?
  • Leef je hier naar? Waarom wel/niet?
  • Wat betekent het voor jou dat je rechtvaardig en heilig bent geschapen naar Gods wil?
  • Wat zegt dit over God en wat zegt dit over jou? Wat betekent het voor jouw relatie met God

Woensdag 22 november – Ef. 4:25-26

Vers 25:

  • Welke leugens komen in jouw leven voor? Hoe zijn deze leugens ontstaan?
  • Op welke manier beïnvloeden leugens jou? Op welke manier beïnvloedt waarheid jou?
  • Op welke manier kun je waarheid tegenover leugen zetten?
  • Neem de tijd om de vragen met God te bespreken en vraag Hem of Hij je wil helpen om de leugens te overwinnen met Zijn waarheid. Getuig hiervan naar de mensen om je heen.

Vers 26:

  • Waar kun jij boos om worden? Waarom word je daar boos over?
  • Op welke manier uit jij boosheid? Wat zijn hier de gevolgen van voor jou en de evt. de ander?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat je boosheid geen zonde wordt?
  • Als er dingen zijn waar je boos over bent, breng ze bij God. Spreek anders je dankbaarheid uit.

Donderdag 23 november – Ef. 4:27-28

Vers 27:

  • Welke kansen heeft de duivel in jouw leven al weten te pakken? Wat voor invloed had dit op jou en je leven?
  • De duivel is echt niet origineel en pakt je vaak op dezelfde zwakke plekken. Welke plekken zijn dit bij jou?
  • Op welke manier betrek je God in je zwakke plekken en in het vechten tegen de duivel?
  • Hoe kun jij leven uit het feit dat de duivel al is overwonnen en dat jij meer dan een overwinnaar bent?

Vers 28:

Niet materiële dingen kunnen ook gestolen worden. Door iemand iets niet te gunnen, machtsmisbruik, iemand afkraken, roddelen, buitensluiten, iemand anders gebruiken om er zelf beter van te worden etc. Je steelt dan iemands zekerheid, veiligheid, gevoel van eigenwaarde, goede naam, etc.

  • Hoe ga je met deze dingen om als ze jou overkomen?
  • Maak je je er zelf schuldig aan? Waarom wel/niet?
  • Wat kun je er aan doen om een statement te maken in de maatschappij, waar deze vorm van stelen ‘normaal’ kan zijn?
  • Hoe betrek je God in dit alles?

Vrijdag 24 november – Ef. 4:29-30

Vers 29:

  • Word jij beïnvloed door vuile taal van anderen? Waarom wel/niet?
  • Hoe reageer jij in een omgeving waar veel vuile taal wordt uitgesproken? Wat zou Jezus willen dat je in zo’n situatie doet? Komt dit overeen?
  • Welke invloed hebben opbouwende woorden op jou?
  • Welke opbouwende woorden kun jij deze week naar mensen uitspreken?

Vers 30:

  • Wat betekent het voor jou dat je gemerkt bent met de stempel van de Heilige Geest?
  • Op welke manier laat jij je leiden door de Heilige Geest?
  • Kunnen mensen in jouw omgeving aan jou merken dat de Heilige Geest in jou woont?

Zaterdag 25 november – Ef. 4:31-32

Vers 31:

  • Wat voor invloed heeft wrok, drift en boosheid op jou?
  • Op welke manier betrek jij God in je boosheid?
  • Als er nog dingen zijn waar je boos op bent of als je worstelt met woede; leg het bij God. Of als je een keer boos wordt, ga eerst naar God en spreek naar Hem uit wat je voelt en denkt.

Vers 32:

  • Wat doet het met jou als mensen met je meeleven?
  • Op welke manier kun jij (meer) met anderen meeleven?
  • Hoe ga jij om met vergeving van mensen die jou iets hebben aangedaan? Hoe betrek je God daarbij?
  • Wat betekent het voor jou dat God jou vergeven heeft?

Zondag 26 november – Ef. 5:1-2

Week 46 – 13 t/m 19 november

Maandag 13 november – Ef. 4:7-8

Vers 7:

  • Wat betekent genade voor jou?
  • Kun je die genade ontvangen? Waarom wel/ niet?
  • Wat denk je dat er bedoeld word met ‘de maat waarmee Christus geeft’?
  • Waarin zie jij de genade van God in je leven?

Vers 8:

  • Wat zegt deze tekst over de macht van Jezus?
  • Op welke manier ervaar jij deze macht in jouw leven?
  • Op welke manier kun je hiervan getuigen naar de mensen om je heen?
  • Welke gaven heb jij van God ontvangen en hoe kun je die gebruiken om anderen te dienen?

Dinsdag 14 november – Ef. 4:9-10

Vers 9:

  • Wie is Jezus voor jou?
  • Wat betekent het voor jou persoonlijk dat Jezus naar de aarde is gekomen voor jou?
  • Hoe zou je je relatie met Jezus beschrijven?
  • Spreek bovenstaande antwoorden naar Hem uit.

Vers 10:

  • Wat betekent het voor jou dat Jezus als mens op aarde leefde en God is?
  • Waarin ervaar jij de aanwezigheid van Jezus?
  • Hoe kun jij je meer laten vullen met alles wat Jezus geeft?

Woensdag 15 november – Ef. 4:11-12

Vers 11:

  • Hoe zou jij de 5 rollen die worden genoemd in je eigen woorden beschrijven?
  • Herken jij die rollen in je eigen gemeente? Waarom wel/niet?
  • Herken jij jezelf in één van de rollen? Waarom wel/niet?

Vers 12:

  • Waarin zie jij in dat de gemeente word opgebouwd?
  • Op welke manier laat jij je opbouwen door anderen in je gemeente?
  • Wat betekent het voor jou en voor je geloofsleven dat je opgebouwd kunt worden door anderen?
  • Hoe kun jij anderen opbouwen in de gemeente? Wat doet dit met jouw geloofsleven?

Donderdag 16 november – Ef. 4:13-14

Vers 13:

  • Hoe sta jij op dit moment in je geloof?
  • Ben je daar tevreden over? Waarom wel/niet?
  • Wat is jouw kennis over Jezus en hoe ken jij Jezus in je leven?
  • Hoe kun je het antwoord op bovenstaande vraag inzetten voor de mensen in de gemeente?

Vers 14:

  • Welke dwaalsporen herken jij in deze maatschappij?
  • Wat voor invloed hebben deze dwaalsporen op jou?
  • Herken jij de stuurloosheid van mensen in de maatschappij?
  • Herken je deze stuurloosheid bij jezelf? Waarom wel/ niet?

Waarin wil jij anders zijn? > Leg dit bij God neer en vraag Hem om je te helpen.

Vrijdag 17 november – Ef. 4:15-16

Vers 15:

  • Wat betekent het voor jou dat jij de waarheid van God kent als je denkt aan de dwaalsporen van de maatschappij (vers 14)?
  • Hoe pas je deze waarheid toe in je eigen leven?
  • Hoe staat het er bij jou voor wat betreft liefhebben van je medechristenen?
  • Hoe kunnen zij aan jou merken dat je ze liefhebt?

Vers 16:

  • Naar wie kijk jij als het gaat om opbouw/groei in de kerk?
  • Op welke manier draag jij naar vermogen mee aan de groei van de kerk?
  • Hoe kun je bijdragen aan Jezus centraal zetten/houden in de kerk?

Zaterdag 18 november – Ef. 4:17-18

Vers 17:

  • Welke loze denkbeelden herken jij in de wereld waarin je leeft?
  • In hoeverre zijn deze loze denkbeelden herkenbaar in je opleiding, werk, sociale leven, etc.?
  • Hoe kun jij los komen van deze loze denkbeelden?
  • Neem de tijd met God om te vragen of er nog loze denkbeelden zijn die in je eigen leven zijn geïntegreerd en breek ermee in de naam van Jezus.

Vers 18:

  • Waarin merk jij vervreemding van het leven met God in deze maatschappij?
  • Hoe zou jij je leven met God beschrijven?
  • Sluit jij je hart wel eens af naar God? Waarom wel/niet?
  • Hoe kun jij het licht van Jezus in jou laten schijnen naar de wereld om je heen?

Zondag 19 november – Ef. 4:19-20

Vers 19:

  • Waarin herken je die losbandigheid en zedeloze praktijken van deze maatschappij?
  • Heeft dit invloed op jou? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier herken je de ongevoeligheid (afgestompt zijn) van mensen?
  • Herken jij die ongevoeligheid in jezelf? Waarom wel/niet?
  • Hoe kun jij in deze dingen laten zien aan de mensen om je heen, dat je een kind van God bent?

Vers 20:

  • Wat is het beeld van de maatschappij over christenen?
  • Wat is het beeld van niet christenen in jouw omgeving over Jezus?
  • Wat is het beeld van niet christenen in jouw omgeving over jou als christen? Ben je daar blij mee of zou je dat anders willen?
  • Hoe kun jij het beeld dat je van Jezus hebt, (meer) laten zien aan de niet christenen in jouw omgeving?

Week 45 – 6 t/m 12 november

Maandag 6 november – Ef. 3:13-14

Vers 13:

  • In welke situatie heb jij de moed wel eens verloren? Weet je hoe dit kwam?
  • Wat kun je leren van de houding van Paulus? Hoe kun je dit toepassen in je eigen leven?
  • Op welke manier kun jij je dienstbaar opstellen om een ander in ere te houden?

Vers 14:

  • Wanneer heb jij voor het laatst je knieën gebogen voor God?
  • Op welke manier sta jij stil bij de heiligheid en grootheid van God tijdens je gebed of als je in aanbidding bent?

Letterlijk op je knieën gaan kan krachtig zijn. Zo ook hardop bidden en hardop God groot maken. Ik geloof dat je daarmee een statement maakt in de geestelijke wereld en dat het jezelf opbouwt.
Neem de tijd om bij God te zijn op de manier waarop jij thuis komt bij God, laat je hierbij leiden door de Heilige Geest. Stort je hart uit, maak Hem groot en vergeet niet te luisteren.

Dinsdag 7 november – Ef. 3:15-16

Vers 15:

  • Waarin ervaar jij dat God je Vader is?
  • Waarin zie jij dat God de Vader is van de kerken in Haarlem en wereldwijd?
  • Op welke manier ben jij betrokken bij je broers en zussen in Haarlem en wereldwijd?
  • Breng je broers en zussen in Jezus in gebed, laat je daarbij leiden door de Heilige Geest.

 

Vers 16:

  • Door welke preek, Bijbeltekst, lied, quote ben jij de laatste tijd bemoedigd?
  • Wat deed dit met je geloofsleven?
  • Wat betekent het voor jou dat God de Almachtige, Heilige Schepper jou innerlijke kracht en sterkte wil geven?
  • Waarin zou jij kracht van God willen ontvangen?
  • Breng dit bij God.

Woensdag 8 november – Ef. 3:17-18

Vers 17:

  • Waaraan merk jij dat Jezus in je hart woont?
  • Wij hebben de Heilige geest nodig om te geloven. (vers 16 &17). Waarin schiet jouw geloof (soms) te kort en zou je meer van Gods Geest willen ervaren?
  • Breng dit bij God.
  • Ervaar jij dat je geworteld en gegrondvest bent in de liefde? Waarom wel/niet?
  • Deel het antwoord van bovenstaande vraag met God.

Vers 18:

  • Wat betekent deze belofte voor jou?
  • Wat zegt dit vers over de grootheid van God? Hoe zou je de grootheid van God beschrijven als je dit vers daarin meeneemt?

Als kind leerde ik een liedje: ‘Jezus liefde is zo wonderbaar… Zo hoog, je kunt er niet overheen. Zo diep, je kunt er niet onderdoor. Zo wijd, je kunt er niet rond omheen, o liefde zo groot.’ Als kind begreep ik soms niet eens de helft van wat ik zong. Zo kan ik me nog voelen. Een kind van de grote, machtige, Heilige Schepper, Vader, Koning en Rechter, Ik kan Hem aanbidden, niet begrijpen, verwonderd staan van hoe Hij zich laat zien en bij Hem op schoot kruipen.

  • Neem de tijd om bij God te komen zoals je bent en vertel Hem hoe jij Hem nu ziet. Leg je vragen bij Hem neer en vertel Hem de ‘geheimen’ van je hart.

Donderdag 9 november – Ef. 3:19-21

Vers 19:

  • Waarin zie jij de liefde van Jezus in de Bijbel?
  • Waarin zie jij de liefde van Jezus in je eigen leven?
  • Heb je delen van je leven waarin je meer moeite hebt of waarin je de liefde van Jezus niet kunt toelaten door de beschadigingen die je hebt opgelopen in je leven?
  • In welke gebieden van je leven heb jij meer van Gods liefde nodig zodat je meer kunt volstromen met Gods volkomenheid?
  • Leg dit bij God neer.

Vers 20:

  • Zijn er dingen (geweest) die je niet aan God durft(e) te vragen? Hoe komt dit denk je?
  • Wat betekent deze belofte voor jou persoonlijk?
  • Neem de tijd om je hart uit te storten bij God, vertel Hem je verlangens. Laat je daarbij leiden door de Heilige Geest.

Vers 21:

  • Waarin geef jij de eer aan God?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat je God (meer)de eer geeft in je leven en in de kerk?
  • Geef God de eer, spreek het uit naar God. Bid voor de generaties in de kerk en je familie dat Gods eer zichtbaar mag zijn in hun leven en in de kerk.

Vrijdag 10 november – Ef. 4:1-2

Vers 1:

  • Welke wegen heb jij bewandeld in je leven? Wat voor invloed had dit op je geloofsleven?
  • Hoe zou jij de roeping die God je heeft gegeven beschrijven?
  • Past de manier waarop je je leven nu leidt bij de roeping die je net beschreven hebt? Waarom wel/niet?
  • Breng je antwoorden op bovenstaande vragen bij God. Deel je hart, je vragen en je verlangens met Hem. Neem de tijd om te luisteren naar wat Hij jou hierover wil zeggen.

Vers 2:

  • Hoe sta jij ervoor; in je bescheidenheid, zachtmoedigheid, geduld en verdraagzaamheid in liefde naar anderen?
  • Waarom denk je dat Paulus deze oproep doet? Waarom is dit zo belangrijk?
  • Waarin zou jij nog willen groeien?
  • Leg je verlangens bij God neer, belijd waarin je tekort schiet, dank God voor wat Hij in en door jou doet en vraag Hem of Hij met zijn Geest jou wil helpen om te groeien.

Zaterdag 11 november – Ef. 4:3-4

Vers 3:

  • Waarom denk je dat de eenheid zo belangrijk is?
  • Ervaar jij eenheid in de gemeente en in de kerken in Haarlem? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier kun jij je inspannen om door de samenwerkende kracht van de vrede de eenheid te bewaren?
  • De Heilige Geest is degene die de eenheid geeft. Op welke manier betrek jij Hem in bovenstaande vraag?

Vers 4:

  • In welke dingen zie je eenheid in je eigen gemeente?
  • In welke dingen zie je eenheid in de gemeenten van Haarlem en wereldwijd?
  • Hoe zou jij de hoop beschrijven waarover Paulus schrijft in dit vers?
  • Op welke manier kun je die hoop uitdragen naar de mensen om je heen?

Zondag 12 november – Ef. 4:5-6

Vers 5:

  • Wie is God voor jou en hoe dien jij Hem?
  • Wat is de kern van jou geloof voor jouw? En hoe draag je dit uit?
  • Wat betekent de doop voor jou persoonlijk en hoe kun je hiervan getuigen?
  • Hoe kun je bij bovenstaande vragen/antwoorden de eenheid zoeken met andere christenen?

Vers 6:

  • Waarom denk je dat er zo veel verdeeldheid is in de wereld en helaas vaak ook binnen de kerken?
  • Als je dit vers tegenover de theologische verschillen zet die er in de kerken kunnen heersen, wat is dan je conclusie?
  • Wat kun jij doen om bewuster om te gaan met het feit dat we als christenen wereldwijd één God en Vader hebben die boven, door en in ons allemaal is?
  • Hoe gaaf zou het zijn om als kerk naar de verdeelde wereld een statement te maken van eenheid door en in God. Hoe kun jij persoonlijk een statement maken naar de mensen om je heen dat God boven en in jou is?

Week 44 – 30 oktober t/m 5 november

Maandag 30 oktober – Ef. 2:21-22

Vers 21:

  • Waaruit bestaan de stenen van jouw geestelijke huis?
  • Zijn er stenen die niet in de tempel voor God thuis horen? (Welke?)
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat je wordt opgebouwd door God en niet met surrogaatstenen van de wereld?
  • Op welke manier word jij opgebouwd door God?
  • Op welke manier kun je God daarvoor de eer geven?

Vers 22:

  • Waaraan merk jij dat de Geest in jou woont?
  • Hoe kun jij je steentje bijdragen om anderen op te bouwen in geloof?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat je samen met andere christenen opgebouwd mag blijven?
  • Neem deze week de tijd om met (een) medechristen(en) te praten over wat het persoonlijk betekent dat God in ons woont door Zijn Geest en wat de gevolgen zijn voor ons leven. Bespreek aan het einde van het gesprek hoe God je tijdens het gesprek heeft opgebouwd en spreek dit uit naar God.

Dinsdag 31 oktober – Ef. 3:1-2

Vers 1:

  • Paulus’ omstandigheden waren verre van ideaal, toch bidt hij voor anderen. Hoe is jouw hartsgesteldheid over het algemeen als je in moeilijke omstandigheden bent? Hoe komt dit denk je?
  • Voor wie in jouw omgeving kun jij bidden deze week?
  • Plan tijd in deze week om de mensen in je omgeving die God nog niet kennen in gebed te brengen.

Vers 2:

  • Wat heeft God aan jou gegeven om door te geven om anderen te zegenen?
  • Welke dingen mag jij in de gemeente doen om God en de mensen daar te dienen? (dit kan een vriendelijke glimlach, een luisterend oor, etc. zijn, of de voor mensen meer zichtbare dingen).
  • Welke dingen mag jij doen om de mensen die je in je dagelijks leven ontmoet iets van God te laten zien?
  • Op welke manier mag jij de zegen van God ontvangen via anderen?
  • Dank God voor wat hij voor en in jou doet. Neem de antwoorden op bovenstaande vragen daarin mee.

Woensdag 1 november – Ef. 3:3-4

Vers 3:

  • Wat betekent het voor jou dat God via Paulus Zijn mysterie aan jou wil onthullen?
  • Welke dingen heeft God aan jou laten zien over wie Hij is en wie Hij wil zijn in jouw leven?
  • Hoe heeft Hij dit aan jou laten zien?
  • Wat heeft het met je gedaan en wat voor invloed heeft dit gehad op jouw leven?

Vers 4:

  • Wat heb jij in de brief van Efeze tot nu toe geleerd over wie God is?
  • Wat heb jij in de brief van de Efeze tot nu toe geleerd van wie jij bent in Jezus?
  • Op welke manier kun je de dingen die je hebt geleerd vandaag inzetten?
  • Op welke manier kun je getuigen van de dingen die God jou heeft laten zien in je leven?

Donderdag 2 november – Ef. 3:5-6

Vers 5:

  • Wat betekent het voor jou dat je in de tijd na Christus leeft en je geen offers meer hoeft te brengen? Hoe sta je daar bij stil?
  • Er zijn vandaag de dag nog steeds hele generaties die misschien wel gehoord hebben van Jezus, maar hier niets mee doen. Wat doet dit met je? Wat kun jij hierin betekenen voor deze mensen?
  • Er zijn ook nog veel mensen die offers willen brengen en met hun ‘goede’ daden de genade van God willen verdienen. Wat zou jij tegen deze mensen willen zeggen?
  • Breng de mensen die je kent die God nog niet kennen of de Genade van God niet vrij kunnen ontvangen in gebed. Laat de Heilige Geest je leiden in gebed.

Vers 6:

Het evangelie is bedoeld voor eerst de Jood, maar ook voor de Griek (Heiden) (Romeinen 1:16).  God zegt tegen Mozes: Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jakob. (Exodus 3:6) De God van Israël. (Psalm 86: 35). We kunnen een hele reeks aan Bijbelstudies doen over het verbond wat God met Israël heeft gesloten en de eerste 5 Bijbelboeken van het Oude Testament kunnen bestuderen. Daarmee zouden we de diepte van dit vers nog beter kunnen begrijpen. Maar of je er nou wel of geen studie van hebt gemaakt;

  • Wat betekent het voor jou dat je deel uitmaakt van de erfenis door Jezus?
  • Wat betekent het voor jou dat je deel uitmaakt van hetzelfde lichaam?
  • En van de belofte?
  • Hoe ervaar jij dit in je leven en hoe kun je dit uitdragen naar anderen?

Vrijdag 3 november – Ef. 3:7-8

Vers 7:

  • Op welke manier ervaar jij Gods kracht in jou?
  • Wat voor invloed heeft de kracht van God in jou voor jouw leven?
  • Hoe kun je de kracht van God voor anderen zichtbaar maken in jouw dagelijks leven?
  • Waarin mag jij dienend zijn?
  • Hoe ervaar jij Gods genade in dit alles? Spreek dit naar God uit.

Vers 8:

  • Hoe rijk voel jij je met Jezus?
  • Spreek dit naar Hem uit.
  • Op welke manier kun jij van die rijkdom vertellen aan mensen die deze rijkdom nog niet hebben?
  • Wat vind je van de opstelling van Paulus in dit vers? Wat kun je hiervan leren voor je eigen houding en instelling?

Zaterdag 4 november – Ef. 3:9-10

Vers 9:

  • Ik kan soms gedeelten in de Bijbel lezen die al vaker heb gelezen, maar dan plotseling begrijpen wat er staat: het licht gaat aan. Wanneer was de laatste keer dat bij jou het licht aan ging bij een tekst(gedeelte) in de Bijbel?
  • Wat deed dit met je beeld van God?
  • Wat heb je ermee gedaan? Heeft het je geloofsleven beïnvloed? (waarom wel/niet?)
  • Hoe kun jij mensen om je heen helpen, zodat bij hen het licht van Jezus aan mag gaan?

Vers 10:

  • Hoe zie jij de rol van de kerk in deze wereld?
  • Hoe zie jij de rol van de kerk in de wereld na het lezen van dit vers? Zit er een verschil in het antwoord? Waarom wel/niet?
  • Ben jij bewust bezig met de rol van de kerk in de geestelijke wereld? Waarom wel/niet?
  • De kerk wordt het lichaam van Jezus genoemd. Jij bent daar onderdeel van. Op welke manier kun jij je inzetten om de kerk/ het lichaam sterk te maken om een statement te maken naar de wereld en de hemelsferen?

Zondag 5 november – Ef. 3:11-12

Vers 11:

  • Wat betekent het voor jou dat God Zijn eeuwenoude plan heeft verwezenlijkt?
  • Wat betekent het voor jou dat Jezus Zijn leven heeft gegeven voor jou zodat God Zijn plan, wat al eeuwen vast stond, kon verwezenlijken?
  • Wat zegt dit vers over wie God is?
  • Neem de tijd om met God te praten over wat dit vers voor jou betekend en wat het met je doet.

Vers 12:

  • Vertrouw jij God in alles (verleden/heden/toekomst)? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier heeft God in jouw leven aan jou laten zien dat Hij te vertrouwen is?
  • Ben jij altijd vol vertrouwen en vrij als je naar God toe gaat? Waarom wel/niet?
  • Praat met God over de antwoorden op bovenstaande vragen. Spreek je dank en verlangens uit.

Week 43 – 23 t/m 29 oktober

Maandag 23 oktober – Efeze 2:6-7

Vers 6:

  • Op welke manier ervaar jij het leven dat God in je heeft gelegd?
  • Waaraan kunnen mensen om jou heen zien dat jij levend bent gemaakt door God?
  • Op welke manier sta jij stil bij het feit dat God ons levend heeft gemaakt en een eeuwig leven geeft?
  • Wat betekent het voor jou dat je een plek in de Hemel hebt?

Vers 7:

  • Op welke manier ervaar jij Gods goedheid en genade in jouw leven?
  • Op welke manier kun jij uitdelen van de goedheid van God?
  • God is trouw door de eeuwen heen. Hoe zou je Gods trouw voor jou beschrijven?
  • Hoe kun jij getuigen naar anderen van Gods goedheid, genade en trouw in je leven?
  • Op welke manier geef je God de eer in je leven voor alles wat Hij geeft?

Dinsdag 24 oktober – Efeze 2:8-9

Vers 8:

  • Op welke manier geef jij God de credits voor je geloofsleven?
  • Welke geschenken heb jij van God ontvangen in je leven?
  • Op welke manier kun je getuigen en uitdelen van de geschenken die God je heeft gegeven?
  • Hoe kun je de geschenken die je van God hebt gekregen gebruiken om God te dienen en groot te maken?

Vers 9:

  • Hoe ga je om met de eisen van de huidige maatschappij?
  • Wat betekent het voor jou dat het niet afhankelijk is van onze daden of we wel of niet de genade van God ontvangen?
  • Op welke manier zou je God kunnen betrekken in de druk die de maatschappij soms op je kan leggen?
  • Op welke manier kun je Gods waarheid tegenover de leugens van de wereld zetten?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat de waarheid het in jouw leven wint van de leugen?

Woensdag 25 oktober – Efeze 2:10-11

Vers 10:

  • Hoe zou je jezelf omschrijven?
  • Wat betekent het voor jou dat God jou heeft gemaakt tot de persoon die je nu bent?
  • Komt het feit dat je in Christus bent geschapen om de weg te gaan van goede daden die God heeft voorbereid, overeen met hoe je naar jezelf kijkt? Waarom wel/niet?
  • Hoe zou je meer uit de belofte kunnen leven die God in dit vers geeft?

Vers 11:

  • Waardoor/hoe heb jij Jezus leren kennen?
  • Wat is er in jou en in jouw leven veranderd nadat je Jezus hebt leren kennen?
  • Op welke manier zou jij ervoor kunnen zorgen dat de mensen om je heen die Jezus nog niet kennen, Hem wel leren kennen?
  • Neem de tijd om God te vragen of Hij een persoon op je hart wil geven met wie jij deze week over het geloof kunt praten.

Donderdag 26 oktober – Efeze 2:12-13

Vers 12:

  • Hoe ervaar jij de verbondenheid met God in je leven?
  • Hoe is in jouw leven zichtbaar dat je leeft met God en de hoop die hij geeft?
  • Wat betekent het voor jou dat er nog steeds mensen leven in een wereld zonder God en zonder hoop?
  • Hoe kun jij aan deze mensen getuigen over jouw wereld met God en hoop?

Vers 13:

  • Beschrijf de momenten dat je ver van God was of je ver van Hem vandaan voelde?
  • Beschrijf de momenten dat je dichtbij God was en je dicht bij Hem voelde?
  • Welke belangrijke verschillen zie je hierin over de invloed die het heeft op je leven?
  • Neem de tijd om God te vertellen waar je je nu voelt staan (dichtbij, veraf, ertussenin). Vertel Hem je verlangens.

Vrijdag 27 oktober – Efeze 2:14-15

Vers 14:

  • Ervaar jij vrede in leven? Waarom wel/niet?
  • Ervaar jij vrede met God? Waarom wel/niet?
  • Heb jij nog zelfgebouwde muren in je leven die je bij God vandaan houden?
  • Deel de antwoorden op bovenstaande vragen met God, belijd, spreek je verlangens uit en dank God.

Vers 15:

  • Welke wetten en regels leg jij jezelf op of laat je jezelf opleggen?
  • Hoe komt het dat je je (soms) wetten en regels laat opleggen of juist niet?
  • Wat betekent het voor jou dat God de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld?
  • Hoe zou jij meer als nieuw mens in vrijheid kunnen leven?

Zaterdag 28 oktober – Efeze 2:16-17

Vers 16:

  • Jezus bracht verzoening tussen God en jou via het kruis door in Zijn lichaam de vijandschap te doden. Wat betekent dit voor jou persoonlijk?
  • Hoe zou je aan anderen uitleggen wat Jezus voor jou heeft gedaan?
  • Neem de tijd om God te danken en te vertellen wat je antwoord is op de eerste vraag bij dit vers.

Vers 17:

  • Op welke manier is deze vrede aan jou ‘verkondigd’?
  • Wat voor invloed heeft dit gehad op jouw leven en je leven met God?
  • Hoe kun je over de vrede van God getuigen aan mensen die dichtbij je staan?
  • Hoe kun je over de vrede van God getuigen aan de mensen die verder bij je vandaan staan?
  • Vraag God of Hij je wil laten zien hoe je Zijn vrede mag laten zien aan de mensen om je heen.

Zondag 29 oktober – Efeze 2:18-20

Vers 18:

  • Wat betekent het voor jou dat je door de Geest toegang hebt tot God de Vader?
  • Waaraan merk je dat die Geest in jou leeft?
  • Waar/waarin ontmoet jij God?
  • Maak jij optimaal gebruik van het feit dat je altijd toegang tot God hebt? Waarom wel/niet?
  • Plan deze week bewust (extra) tijd met God en deel met God en evt. mensen om je heen wat die (extra) tijd met God voor jou heeft betekend.

Vers 19:

  • Wat betekent het voor jou dat je bij God mag horen?
  • Sluit je God wel een buiten in je leven? Waarom wel/niet?
  • Hoe kun je God meer betrekken in je leven?
  • Hoe kun jij vreemdelingen van God op een positieve manier jaloers maken op jouw burgerschap in Gods Koninkrijk?

Vers 20:

  • Welke rol speelt Jezus in jouw leven?
  • Is Jezus degene op wie jij je leven bouwt, degene die jouw leven bij elkaar houdt? Waarom wel/niet?
  • Neem de tijd om Jezus te vertellen welke plek Hij in jouw leven heeft, belijd, spreek je verlangens en dank uit.

 


Week 42 – 16 t/m 22 oktober

Maandag 16 oktober – Efeze 1:15-16

Vers 15:

  • Wat weten de mensen in jouw omgeving over je geloof in Jezus?
  • Hoe zou jij meer van Jezus kunnen getuigen naar de mensen om je heen?
  • Is het in jouw omgeving bekend dat je liefde hebt voor je medechristenen?
  • Op welke manier kun je de liefde voor medechristenen laten groeien? Hoe betrek je God hierbij?
  • Wat kun je deze week doen om je geloof en je liefde voor medechristenen tot uiting te brengen?
  • Neem de tijd om God te vragen of Hij iemand op je hart wil geven die je deze week mag zegenen met de liefde van God.

Vers 16:

  • Waar ben jij God op dit moment dankbaar voor?
  • Wat zijn voor jou de belangrijkste dingen waar je God dankbaar voor bent?
  • Wat zijn voor jou de minst belangrijke dingen waar je God dankbaar voor bent?
  • Heb je de tijd genomen om God hiervoor te danken? Zo niet, doe dit alsnog?
  • Hoe kun jij meer tijd in je leven vrij maken om God te danken?
  • Wie noem jij in je gebeden?
  • Neem de tijd om God te danken en te vragen of hij mensen op je hart wil leggen om voor te bidden. Schrijf de naam/namen van de persoon/personen op zodat je eraan herinnerd kan worden om te blijven bidden voor deze hen.

Dinsdag 17 oktober – Efeze 1:17-18

Vers 17:

  • Op welke manier heb je God leren kennen?
  • Wat was beeld van God toen je net tot geloof kwam? Hoe is je beeld van God nu?
  • Is je beeld van God veranderd in je reis met Hem? Hoe komt dit denk je?
  • Welke dingen zijn aan jou geopenbaard waardoor je God beter leerde kennen?
  • Wat deed dit in je relatie met Hem?
  • Als je dit nog niet doet; neem voor het Bijbellezen de tijd om God te vragen of Hij je wil helpen om te begrijpen/openbaren wat je leest zodat je Hem beter mag leren kennen.

Vers 18:

  • Hoe stel jij je hart open voor God/ Hoe geef je God de ruimte om tot je hart te spreken?
  • Wat is jouw hoop, verwachting als jij je hart openstelt voor God?
  • Op welke beloften van God hoop jij?
  • Wat betekenen de beloften van God voor het eeuwige leven voor jou?

Woensdag 18 oktober – Efeze 1:19-20

Vers 19:

  • Op welke manier spreekt de Bijbel tot jou over de krachtige werking van Gods macht?
  • Op welke manier herken je die krachtige werking in je eigen leven en/of omgeving?
  • Wat overweldigt jou als je nadenkt of wordt stilgezet bij de krachtige werking van Gods macht? Waarom overweldigt dat je? > Spreek dit uit naar God.
  • Hoe zou jij meer ruimte kunnen maken in je leven voor de krachtige werking van Gods macht?

Vers 20:

Jezus kwam na een tijd van intens lijden weer thuis, terug in de Hemel.

  • Neem de tijd om stil te staan bij de reis die Jezus koos om af te leggen voor ons?
  • Hoe zou jij die reis omschrijven?
  • Welke gedachten en gevoelens roept dit bij je op?
  • Beschrijf wat vers 20 voor jou persoonlijk betekent.
  • Neem de tijd om met God te praten over de antwoorden die je net hebt gegeven.

Donderdag 19 oktober – Efeze 1:21-22

Vers 21:

  • Op welke manier sta jij stil bij de verhoging van Jezus zoals beschreven staat in vers 21?
  • Op welke manier maak jij Jezus groot in jouw leven?
  • Als je bedenkt dat jij bij Jezus hoort, wat zegt deze tekst dan over jou en je leven?
  • Wat zegt dit over de machten en krachten die heersen in de wereld en misschien wel in jouw leven?
  • Neem de tijd om te belijden als er machten of krachten in jouw leven heersen. Maak Jezus groot, spreek het hardop uit, hiermee maak je ook een statement in de geestelijke wereld.

Vers 22:

  • Als er dingen in je leven zijn die je nog niet aan Jezus’ voeten hebt gelegd, neem dan de tijd om dit te doen.
  • Belijd de dingen in je leven waar Jezus niet aan het hoofd stond/staat en nodig hem uit om het hoofd te zijn over je leven.

Dank God en vier met Hem de overwinning.

Vrijdag 20 oktober – Efeze 1:23

Vers 23

  • Op welke manier sta jij erbij stil dat je onderdeel bent van het lichaam van Jezus?
  • Hoe zou je in je eigen gemeente bewuster kunnen omgaan met het feit dat iedereen onderdeel is van het lichaam van Jezus?
  • Hoe zou je dat voor andere gemeenten kunnen doen als je bedenkt dat de gemeente wereldwijd onderdeel is van het lichaam van Jezus?
  • Op welke manier komt Jezus tot uiting in je eigen gemeente?
  • Wat zou je zelf kunnen doen om Jezus meer de ruimte te geven zodat Hij ten volle tot uiting kan komen in de gemeente?

Zaterdag 21 oktober – Efeze 2:1-3

Vers 1:

  • Wat betekent het voor jou dat de misstappen en zonden dood maken?
  • Op welke manier zie jij dit om je heen?
  • Waarin herken jij dit vanuit je eigen leven?
  • Wat betekent het woord ‘was’ in deze zin voor jou persoonlijk?
  • Ervaar je dat de dood, waarover in dit vers geschreven wordt, verleden tijd is in je leven? Waarom wel/niet?
  • Spreek dit uit naar God en vertel Hem je verlangens.

Vers 2:

  • Waarin herken je de god van deze wereld in de dingen die gebeuren in de wereld?
  • Waarin herken je de god van deze wereld in je eigen leven?
  • Hoe kun je onderscheid maken in de werken van de god van deze wereld en de werken van God onze Vader en Schepper?
  • Op welke manier kun je in je eigen leven meer ruimte geven voor God de Vader en minder ruimte voor de god van deze wereld?

Vers 3:

  • Welke dingen van de wereld kunnen jou beheersen? Hoe komt dit denk je?
  • Welke begeerten, verlangens en gedachten herken jij in je leven die niet van God zijn?
  • Hoe ga je hiermee om?
  • Belijd deze aan God en dank hem voor het offer van Jezus.

Zondag 22 oktober – Efeze 2:4-5

Vers 4:

  • Wat betekent het voor jou persoonlijk dat wij van nature bloot staan aan Gods toorn (vers 3), maar dat God in plaats van dat, Zijn barmhartigheid en liefde over ons uitstort?
  • Wat betekent deze tekst voor je Godsbeeld en je geloofsleven?
  • Op welke manier herken jij de barmhartigheid van God in je leven?
  • Op welke manier herken je Gods grote liefde voor jou in je leven?
  • Vertel dit aan God en spreek je dankbaarheid en verlangens uit.

Vers 5:

  • Wat betekent het voor jou en je leven dat je door genade gered bent?
  • Wij waren dood door onze zonden, Jezus was zonder zonde en toch zijn we samen met Hem levend gemaakt. Neem de tijd om dit tot je door te laten dringen.
  • Welke gedachten en gevoelens komen hierbij bij jou naar boven?
  • Spreek deze gedachten en gevoelens naar God uit en vertel Hem wat het voor jou betekent.

Week 41 – 9 t/m 15 oktober

Maandag 9 oktober – Efeze 1:1-2

Vers 1:

  • Op welke manier ervaar jij de eenheid van Christus met andere christenen?
  • Zijn er ook momenten dat je die eenheid niet ervaart? Hoe komt dat denk je?
  • Waarom is eenheid in Christus belangrijk denk je?
  • Op welke manier ben jij verantwoordelijk voor eenheid? Neem jij die verantwoordelijkheid? Waarom wel/niet?

Vers 2:

  • Waarom denk je dat Paulus de brief begint met deze woorden?
  • Wat betekenen deze woorden voor jou als ze naar jou (zouden) worden uitgesproken (misschien op de zondagochtend in de gemeente)?
  • Het zijn misschien niet de woorden die je standaard gebruikt als intro van een mail of een gesprek, maar woorden hebben kracht. Op welke manier kun jij mensen zegenen met je woorden?
  • Neem deze week de tijd om stil te staan bij je woorden en spreek bewust woorden uit die zegenen. Vraag God of Hij je hierin wil leiden.

Dinsdag 10 oktober – Efeze 1:3-4

Vers 3:

  • Op welke manier ervaar jij Gods zegen in je leven?
  • Welke geestelijke zegeningen heb jij van God ontvangen?
  • Wat betekenen die zegeningen voor je?
  • Wat doe je met deze zegeningen in je dagelijks leven?
  • Op welke manier geef jij God de eer voor de zegeningen die je van Hem hebt gekregen?
  • Neem de tijd om God groot te maken en te danken voor de zegeningen die Hij geeft.

 

Vers 4:

  • Wat betekent het voor jou dat je vol liefde bent uitgekozen door God?
  • Wat betekent het voor jou dat je voor God heilig bent?
  • Wat betekent het voor jou dat je voor God zuiver bent?
  • Wat betekent het voor jou dat God dit allemaal voor jou heeft bedacht voordat Hij de wereld schiep?
  • Kun je de bovenstaande dingen ten volle ontvangen als prachtige geschenken van God? (waarom wel/niet?)
  • Wat betekenen bovenstaande dingen voor jouw identiteit in Jezus?
  • Op welke manier kun je hier (meer) vanuit leven dit (meer) uitdragen naar de mensen om je heen?

Woensdag 11 oktober – Efeze 1:5-6

Vers 5:

  • Wat betekent het voor jou persoonlijk dat het Gods wil en verlangen is dat jij een kind van Hem bent?
  • Hoe kunnen mensen aan jou zien dat jij een kind van God bent?
  • Wat zijn jouw verlangens voor mensen om je heen die God nog niet kennen? Spreek dit verlangen uit naar God.
  • Plan in je agenda in om voor deze mensen te blijven bidden.
  • Heb jij de wil en het verlangen naar een diepere relatie met God? Wat zijn precies jouw verlangens in je relatie met God? Spreek ze naar Hem uit.

 

Vers 6:

  • Hoe ervaar jij de grootheid van Gods genade in je leven?
  • Kunnen mensen aan jou (of jouw leven) zien dat jij die genade hebt ontvangen?
  • Leef je in die genade? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier kun jij je leven (beter) inrichten zodat je God in woord en daad (meer) de eer kunt geven dat jij Zijn kind bent?

Donderdag 12 oktober – Efeze 1:7-8

Vers 7:

  • Op welke manier sta jij stil bij het offer dat Jezus voor jou heeft gebracht zodat jij ook een kind van God de Vader mag zijn?
  • Wat betekent het voor jou dat je zonden vergeven zijn?
  • Wat betekent het voor jou dat je verlost bent, dat je niet langer slaaf bent?
  • Kun je met je verstand en hart zeggen: “Ik ben geen slaaf meer, ik ben een kind van God”? (*) Waarom wel/niet?

(*Geïnspireerd door het lied: No longer slaves, Bethel Music.)

  • Neem de tijd om met God te praten over je dankbaarheid, je vragen en je verlangens rond verlossing, vergeving van zonden, en genade.

Vers 8:

Overvloed betekent meer dan nodig. God geeft genade in overvloed.

  • Wat betekent die overvloed voor jou persoonlijk?
  • Wat betekent het voor jou dat God deze overvloed aan jou geeft/schenkt?
  • Wat zegt dit over Gods liefde voor jou?
  • Kun je dit ontvangen? Waarom wel/niet?
  • Hoe kun je de genade en liefde van God (meer) uitdragen naar mensen om je heen?

Vrijdag 13 oktober – Efeze 1:8-10

Vers (8) 9,10:

  • God zelf onthult ons een mysterie! Wat betekent het voor jou dat God, jouw schepper, een mysterie aan je wil onthullen?
  • Op welke manier vertrouw jij op Gods wijsheid en inzicht in jouw leven?
  • Wat betekent het voor jou dat God een plan heeft uitgestippeld tot de voltooiing van de tijd?
  • Wat betekent het voor jou dat Jezus aan het hoofd wordt gesteld van alles in de hemel en op de aarde?
  • Wat zeggen bovenstaande twee vragen over jouw leven?
  • Als je ook onder de indruk bent van de inhoud van deze tekst: deel dit met God. Leg ook je vragen en verlangens bij Hem neer. Hij heeft ook een plan met jouw leven!

Zaterdag 14 oktober – Efeze 1:11-12

Vers 11:

  • Heb je ook weleens van die momenten dat je even niet weet welke keus je moet maken of dat je even niet begrijpt waarom het leven zo loopt zoals het loopt? Als je die momenten zet in het licht van deze tekst, verandert er dan iets in de manier waarop je kijkt naar die momenten? Waarom wel/niet?
  • Op welke manier sta je stil bij je bestemming?
  • Hoe kun jij met anderen delen vanuit je bestemming?

Je bestemming is door en in Jezus en dit is de wil en het besluit van God.

  • Wat betekent dit voor jou en je relatie met God?

 

Vers 12:

  • Op welke dingen of mensen vestig jij soms je hoop?
  • Wat doet het met je relatie met God als je je hoop op iemand of iets anders stelt dan op Hem?
  • Waarom is het zo belangrijk dat we onze hoop op Jezus vestigen?
  • Welke hoop/verlangens kun je bij God neer leggen? Op welke manier geef je God daarmee de eer?
  • Breng je hoop en verlangens bij God neer en beleid als je je hoop op andere mensen/dingen hebt gevestigd.

Zondag 15 oktober – Efeze 1:13-14

Vers 13:

  • Wat in de boodschap van de waarheid raakt jou op dit moment het meeste?
  • Hoe is het evangelie van je redding in jouw hart beland?
  • Wat is jouw persoonlijke getuigenis hierin?
  • Op welke manier kun je anderen bemoedigen met jouw getuigenis?
  • Op welke manier ervaar jij in je leven dat je gemerkt bent met het stempel van de Heilige Geest?
  • Kunnen mensen in jouw omgeving zien dat je bent gemerkt door het stempel van de Heilige Geest? Waarin wel/niet?

 

Vers 14:

  • Op welke manier ervaar je de Heilige Geest in je leven?
  • Op welke manier zie je het werk van de Heilige Geest om je heen; in mensen, situaties?
  • Wat betekent het voor jou dat je de Heilige Geest als voorschot op je erfenis hebt gekregen?

De Heilige Geest is als voorschot op onze erfenis gegeven met als doel dat we verlost zullen zijn en dit ter ere van God.

  • Op welke manier heeft de Heilige Geest gewerkt om jou te wijzen en je te herinneren aan je verlossing?
  • Op welke manier gaf dit eer aan Gods grootheid? Hoe kun jij God de eer geven en groot maken voor het werk van verlossing?

 

 

Week 27 – 3 t/m 9 juli 2017

Handelingen 1:1-14

Vers 3:

  • Hoe heeft Jezus aan jou bewezen dat Hij leeft?
  • Wanneer was de laatste keer dat je voelde/besefte dat Jezus in jou leeft? In welke situatie was dat?
  • Hoe zou je deze ervaring(en) met anderen kunnen delen?

Vers 8:

  • Waar wil/kun jij getuige zijn?
    > Bid dat de Heilige Geest je kracht geeft om te getuigen.

Vers 14:

  • Waar zou jij vurig en eensgezind (NBV) voor willen bidden?
  • Neem dit mee als gebedspunt naar Reconnect-thuis, vraag na de dienst of mensen met je mee willen bidden, geef het door voor de gebedslijst of doe het op een andere persoonlijke manier.

Handelingen 1:15-26

Vers 16, 20:

  • In beide verzen wordt teruggegrepen naar het oude testament. God wist al wat er ging gebeuren. Wat betekent dat voor jou en jouw leven?
  • Vertel dit aan God; spreek je dankbaarheid en je vragen uit.

Vers 24:

  • Wat vind je van dit gebed? Wat zegt het over de discipelen en wat zegt het over God?
  • (Hoe) vraag jij God om leiding bij keuzes in je leven?
  • Voor welke taak heeft God jou uitgekozen, welke talenten heeft God jou gegeven?

Handelingen 2:1-13

Vers 1-4:

  • Wat zeggen deze verzen over de Heilige Geest?
  • Wat betekent dat voor jou persoonlijk?
  • (Hoe) ervaar jij dat de Heilige Geest werkt in jouw leven?
  • Spreek dit uit en spreek ook evt. verlangens naar Hem uit.

Vers 12, 13:

  • Wat vind je van de reactie van de mensen?
  • Hoe reageren mensen op jou als je verteld dat je Christen bent of iets deelt over je geloof?
    Hoe ga je daar mee om?
  • Vraag God om wijsheid in zulke gesprekken.

Handelingen 2:14-28

Vers 14: (NBV)
‘luister naar mijn woorden en neem ze ter harte’.

  • Wat betekent dit? Maak je keuzes in wat je ter harte neemt? Wat is het laatste wat je hebt gehoord en ter harte hebt genomen? Wat voor invloed heeft dit op jou?
  • Deel dit met God en vraag of Hij je wil helpen om de goede dingen (Gods waarheid) ter harte te nemen.

Vers 24 -28:

  • Wat zegt dit over wie God is en wie Jezus is?
  • Wat betekent dit voor jouw persoonlijk?
  • Vertel dit aan God

Handelingen 2:29-48

Vers 35:

  • Wat betekent deze tekst? Wat zegt dit over God en over de duivel?
  • Als Jezus in je woont, wat betekend deze tekst dan voor jou?
  • De duivel is verslagen en heeft niets meer over ons te zeggen, al probeert hij wel te doen alsof. Hij wordt niet voor niets ‘de vader van de leugen’ genoemd.
    Vraag God om je te helpen de waarheid te blijven zien en te volgen.

Vers 42 -47: De eerste gemeente ontstaat.

  • Wat vind jij van de manier waarop de eerste gemeente met elkaar samenleefde?
  • Op welke manier ben jij onderdeel van de gemeente (het lichaam van Jezus)?

Vraag God om je te helpen bij de dingen die je mag doen in de gemeente en spreek evt. verlangens uit.

Week 28 – 10 t/m 16 juli 2017

Handelingen 3:1-10

Vers 6:
De verlamde man vroeg om geld, maar ontving een andere vorm van rijkdom: genezing

  • Heeft God jouw gebed wel eens op een andere manier verhoord dan je had verwacht? Wat voor invloed had dit op je leven?
  • Welke ‘rijkdommen’ heb jij van God ontvangen?
  • Wat heeft God jou gegeven om in te zetten voor anderen (gaven, talenten, zegeningen)? Hoe zet je dit in?

Vers 8,9:

  • Wat vind je van de reactie van de genezen man?
  • Hoe reageer jij op dingen die God doet in je leven? Hoe zou je willen reageren? Zit daar verschil tussen?
  • Dank God voor de dingen die Hij in je leven heeft gedaan en spreek je verlangens naar Hem uit.

Handelingen 3:11-26

Vers 16:

  • Wat zegt dit over de macht van Jezus?
  • Herken je/ Geloof je in de macht van Jezus in jouw leven?
  • In welke aspecten van je leven zou je verandering willen zien in de naam van Jezus? Wat zou je in geloof willen vragen of uitspreken?
  • Breng dit in gebed.

Vers 17:

  • Hoe ga jij om met mensen die uit onwetendheid reageren? Hoe zou Jezus omgaan met die onwetendheid?
  • Wat is de reactie van Petrus op de onwetendheid? Wat kun je daar van leren en hoe kun je dit toepassen in je gesprekken met mensen in je omgeving?

Vers 26:

  • Wat betekent deze tekst voor jou persoonlijk?

Hoe is dit zichtbaar in jouw leven?

Handelingen 4:1-22

Vers 13:
Het was zichtbaar dat Petrus en Johannes niet uit eigen kracht werkten.

  • Op welke momenten in je leven heb je ervaren dat God aan het werk was door jou heen?
  • Wat was de reactie van mensen die dit zagen?
  • Wat deed het voor jou persoonlijk?

Vers 19, 20:

  • Wat vind je van de reactie van Petrus en Johannes?
  • Hoe sta je hier zelf in?

Waarin zou jij meer naar God willen luisteren? Spreek dit naar Hem uit.

Handelingen 4:23-31

Vers 24-30:

  • Wat kun je leren van de reactie van de leerlingen?
  • Wat kun je leren van het gebed van de leerlingen?
  • Hoe kun je beide dingen toepassen in je eigen leven?

Vers 31:

Een indrukwekkend antwoord van God op gebed.

  • Wat zegt dit vers over wie God is voor jou persoonlijk.
  • Wanneer was jij onder de indruk van Gods reactie op Gebed.
  • Spreek dit naar God uit: Dank God voor de gebeden die Hij heeft verhoord en dank God voor wie Hij is voor jou persoonlijk.

Handelingen 4:32-37

Vers 32 – 35:

  • Wat vind je van de manier waarop deze mensen met elkaar leefden?
  • Wat kun je hiervan leren?
  • Wat zie je hiervan in je eigen leven en omgeving?

Wat zou je graag willen veranderen? Spreek dit verlangen naar God uit en naar anderen als je hart dit ingeeft

Week 29 – 17 t/m 23 juli 2017

Handelingen 5:1-11

Vers 4: Niet de mensen heb je bedrogen maar God zelf. Vers 9: Hoe heb je durven besluiten om de Geest van de Heer te trotseren.

  • Wat zegt deze geschiedenis over de Heiligheid van God?
  • Op wat voor manier sta jij stil bij de Heiligheid van God?
  • Voor God kunnen we niets verbergen. Wat betekent dit voor jou persoonlijk? Geeft dit veiligheid of juist niet? Hoe komt dit?
  • Neem de tijd om echt te zijn bij God; stort je hart uit, vertel Hem alles wat je bezig houdt. (je happy en je crappy).

Handelingen 5:12-25

Vers 17:

  • Ervaar je weerstand van mensen om je heen als ze horen of zien wat God in je leven doet? (Op wat voor manier?)
  • Ervaar je weerstand in de vorm van Geestelijke strijd in je leven?
  • Hoe ga je hiermee om?

Vers 19 -21:

  • Op wat voor manier heb jij meegemaakt dat God ingreep als je weerstand ervoer?
  • Wat voor invloed had dit op je gevoel en gedrag?
  • Hoe kun je hier van getuigen?

Handelingen 5:26-42

Vers 38, 39:

  • Wat betekent deze tekst voor jou persoonlijk?
  • Hoe betrek je God bij de dingen die je doet?
  • Hoe zorg je dat je dingen doet vanuit Gods kracht en niet vanuit eigen kracht?

Vers 41, 42:

  • Hoe ga jij om met afwijzing, vernedering etc. vanwege je geloof?
  • Wat kun je leren en voor jezelf toepassen vanuit deze twee teksten?

Handelingen 6:1-7

Vers 1-5

  • Hoe word gereageerd op de ontevredenheid die wordt beschreven in vers1?
  • Welke verdeling word er gemaakt in rollen/taken?
  • Wat is de voorwaarde voor het invullen van deze rol/taak?
  • Wat kun je hier voor jezelf uit halen als les?

Handelingen 6:8-15

Vers 8-15:

  • Wat zegt deze geschiedenis over de strijd die we hebben te voeren?

Vers 10:

  • Wat zegt dit over de kracht van God in Stefanus?
  • Wat zegt dit over de kracht van God in jou?

Vers 11-14:

  • Wat gebeurt hier precies als je bedenkt dat satan ‘de vader van de leugen’ word genoemd?
  • Hoe ga jij om met onrecht zoals hier wordt beschreven?

Hoe betrek je God in onrecht, strijd in je leven?

Week 30 – 24 t/m 30 juli 2017

Handelingen 7:1-34

Vers 1:

  • Op wat voor manier spreekt Stefanus de mensen aan?

Vers 1-34:

  • Waarom denk je dat Stefanus een soort samenvatting geeft van het oude testament?
  • Welk thema is te herkennen in het verhaal van Stefanus?
  • Wat kun jij er voor jou persoonlijk uit halen?

 

Handelingen 7:35-53

Vers 35-40

  • Welke vergelijkingen met Jezus kun je herkennen?
  • Herken je de afwijzing van Jezus in de wereld om je heen?
  • Hoe denk je dat Jezus wil dat we daar mee omgaan?

Vers 35-53.

  • Mensen zijn ontrouw, maar God blijft altijd trouw. Herken je dat in je eigen leven?
  • Hoe ga jij om met Gods trouw?

Handelingen 7:54 – Handelingen 8:3

Vers 60:

Jezus sprak vergelijkbare woorden aan het kruis.

  • Hoe kunnen wij leren om in liefde en genade naar mensen te kijken die ons iets aan doen?
  • Vraag God om je hierin te helpen.

Vers 1, 3:

Wereldwijd worden christenen hevig vervolgt.

  • Op wat voor manier sta jij stil bij de vervolgde christenen?
  • Neem de tijd om in gebed te gaan voor de vervolgde christenen wereldwijd.

Handelingen 8:4-25

Vers 4-8:

  • Wat is de reactie op de vervolging uit het vorige gedeelte?
  • Er ontstaat vreugde door overwinningen. Hoe vier jij de overwinningen die God geeft?

Vers 9-24:

  • Welke lessen kun je trekken uit het leven van Simon en de reactie van Petrus?
  • Genade en 2e kansen staan centraal. Hoe ervaar jij Gods genade in je leven? Hoe ga je om met die genade?

Petrus en Johannes gingen naar de Samaritanen om daar het evangelie te brengen. De Samaritanen waren in die tijd een soort van aartsvijanden van de Joden.

  • Op wat voor manier kun jij de liefde van Jezus laten zien aan je ‘vijanden’ (mensen die je niet goed behandelen, etc.)

Handelingen 8:26-40

Vers 26-29:

God heeft de Ethiopiër op het oog en leidt Filippus naar hem toe. Een bijzonder ontmoeting geleid door God.

  • Welke bijzondere ontmoetingen herken jij in je leven?
  • Hoe ervaar jij dat God je op het oog heeft?
  • Hoe gebruikt God jou om anderen te bemoedigen en te zegenen?

Vers 35:

Hoe zou jij het evangelie uitleggen vanuit vers 32 en 33?

Week 31 – 31 juli t/m 6 augustus 2017

Handelingen 9:1-21

Vers 5,6:

  • Hoe herken jij de stem van Jezus?
  • Welke opdracht heb jij van Jezus gekregen?
  • Als je worstelt met deze vragen, leg ze bij Jezus neer. Jezus herkent jouw stem altijd en wil je helpen om de Zijne te verstaan.

Vers 1-2, 18-20

God verandert mensen!

  • Hoe heeft God jou veranderd?
  • Hoe kun je hier van getuigen naar de mensen om je heen?

Handelingen 9:22-43

Vers 22, 23, 28,29

Het is hier duidelijk zichtbaar dat de duisternis het licht niet kan verdragen.

  • Hoe ga jij om met de haat van de wereld die gericht is op Jezus? Hoe zou Jezus willen dat je hiermee omgaat?
  • Saulus verkondigde het evangelie en ervoer strijd. Bid voor de voorgangers en evangelisten dat ze gesterkt mogen worden in de strijd.

Vers 31:

  • Welke zegen zie jij in de gemeente of bij de christenen met wie je omgaat?
  • Dank God voor de zegen die je ziet en ervaart en spreek je evt. verlangens uit voor de gemeente.

Handelingen 10:1-16

Vers 1-16:

  • Op wat voor manier spreekt God in deze geschiedenis tot de centurio en tot Petrus?
  • Op wat voor manier spreekt God door deze geschiedenis tot jou?
  • Vraag wat God vandaag tegen jou wil zeggen.

Vers 15:

  • Wat kun je leren van deze tekst?
  • Soms gebruikt God in onze ogen misschien ongeschikte mensen of omstandigheden om Zijn wil te laten zien. Waarin herken je dit? Hoe ga je er mee om, wat doe je hier mee?

Handelingen 10:17-33

Vers 17-32:

God brengt mensen bij elkaar, elk met hun eigen verhaal.

  • Welke verhalen zou jij kunnen delen over hoe God spreekt in jouw leven en welke verhalen heb je hierover van anderen gehoord?
  • Neem eens de tijd om te praten en te luisteren naar verhalen over hoe God spreekt in levens? Bijvoorbeeld na de dienst, bij Re:connect thuis of nodig iemand uit.

Vers 33:
Cornelius en zijn familie wil met een open hart luisteren naar wat Petrus te zeggen heeft. Hij is klaar om te ontvangen.

  • Met wat voor hartgesteldheid luister jij naar preken, lees je de Bijbel of.. vul zelf maar in?
  • Op wat voor manier ontvang je wat God tegen je wil zeggen? Wat doe je ermee?

Handelingen 10:34-48

Vers 34, 35:

  • Hoe kun jij vanuit deze verzen de handen en voeten zijn van Jezus?

Vers 39-43:

  • Op wat voor manier kun jij getuige zijn van Jezus heeft gedaan in jouw leven?

Vraag God of Hij je wil helpen om getuige te zijn en je te laten leiden door de Heilige Geest.

Week 32 – 7 t/m 13 augustus 2017

Handelingen 11:1-18

Vers 1-5, 17,18:

Petrus, en nu ook de joodse gelovigen kregen nieuwe inzichten doordat God tot hem sprak.

  • Welke nieuwe inzichten heb jij gekregen sinds je het boek Handelingen leest?
  • Voor welke nieuwe inzichten ben je het meeste dankbaar en waarom? Spreek dit uit naar God.
  • Welke van de nieuwe inzichten zou je kunnen gebruiken om mensen om je heen te bemoedigen?
  • Hoe kun je de nieuwe inzichten toepassen in je leven?
  • In welke dingen zou je nog inzicht willen krijgen? Ga hierover met mede christenen in gesprek om van elkaar te kunnen leren.

Handelingen 11:19-30

Vers 21:

  • Op wat voor manier merk je dat God jou steunt in het werk wat je voor God mag doen (thuis, op je werk, in de kerk, in je vriendenkring)?

Vers 23:

  • Hoe zie jij dat God aan het werk is in de gemeente, in je omgeving met christenen?

Vers 29:

  • Op wat voor manieren kunnen christenen elkaar ondersteunen? (praktisch, geestelijk).
  • Hoe word jij gezegend door andere christenen?
  • Hoe kun jij andere christenen zegenen?

Handelingen 12:1-10

Vers 5:

  • Hoe reageer jij als je verdrukking ziet of er van hoort?
  • Voor welke mensen zou jij vol vuur willen bidden? Breng dit in de praktijk.

Vers 7-10:

  • Op wat voor manier heeft God jou uit situaties gehaald waar je niet in wilde zitten? (misschien wel uit je eigen gebouwde gevangenis?)
  • Wat heeft dat gedaan voor je geloofsleven?

Handelingen 12:11-17

Vers 11:

  • Petrus hoopte dat hij gered zou worden. (misschien kon hij daarom wel gewoon slapen, vers 6). Waar heb jij hoop voor? Spreek dit uit naar God.

Vers 15, 16:

  • Herken je de reactie van degene die aan het bidden waren? Hoe komt het denk je dat we soms bidden en verbaast zijn dat God verhoort?
  • Hoe leren we God meer te vertrouwen?
  • Spreek uit naar God waar je Hem meer in wilt vertrouwen en vraag God om je daarbij te helpen.

Handelingen 12:18-25

Vers 18:

  • In deze tijd worden we vaak opgeschut in negatieve zin. Hoe zou je mensen in positieve zin kunnen ‘wakker schudden’.

Vers 22,23:

Ook in deze tijd zijn er mensen, maar ook dingen die als God worden aanbeden.

  • Hoe denk je dat God hier nu naar kijkt?
  • Welke mensen of dingen hebben bij jou het risico om boven God te komen staan?
  • Hoe kun je dit voorkomen?
  • Praat hierover met God; belijdt en vraag Hem om hulp.

Geef God de eer; dank, prijs, aanbid Hem.

Week 33 – 14 t/m 20 augustus 2017

Handelingen 13:1-12

Vers 2,3:

  • Zet een moment apart om God te aanbidden, als je wilt in combinatie met vasten.
  • Wat zegt de Heilige Geest tegen jou?
  • Wil God jou ergens voor inzetten waar je tot nu toe nog niet aan gedacht hebt?
  • Voor wie kun je bidden die een bediening/taak heeft in Gods koninkrijk?
  • Neem de tijd om hierover met God in gesprek te gaan.

Handelingen 13:13-33

Vers 9,10:

  • Hoe ga je om met mensen die leugens verspreiden over jou?
  • Hoe ga je om met mensen die leugens verspreiden over God?
  • Hoe zou Jezus reageren op bovenstaande vragen?
  • Vraag God om onderscheidingsvermogen tussen leugen en waarheid en vraag wijsheid om hier mee om te gaan.

Vers 27:

  • Hoe kun je zorgen dat Jezus en Zijn werk word herkend/erkend?
  • Kunnen mensen Jezus herkennen in jou?
  • Wat kun je doen om Jezus meer zichtbaar te maken in jouw omgeving?

Vers 31:

  • Wat kun jij doen om dicht bij Jezus te blijven zodat je van Hem kunt getuigen?
  • Deel dit met God en vraag Hem of Hij je wil helpen om dit in de praktijk te brengen.

Handelingen 13:34-52

Vers 38,39:

  • Op welke manier sta jij stil dat je door Jezus vergeving hebt ontvangen van zonden?
  • Wat betekent die vergeving voor jou persoonlijk? Vertel dit aan God

Vers 45:

  • Deze mensen werden in negatieve zin jaloers. Hoe zou je mensen in positieve zin jaloers kunnen maken?
  • Wat denk je dat daar de gevolgen van kunnen zijn?

Handelingen 14:1-15

Vers 9:

  • Waarin verlang jij naar genezing voor jezelf? (Geestelijk, lichamelijk)?
  • Waarin verlang jij naar genezing voor een ander? (Geestelijk, lichamelijk)?
  • Spreek dit uit naar God en vraag Hem of Hij hierin tot je wil spreken.

Vers 11,12,13:

  • Hoe reageer je op mensen wanneer ze je leven als Christen niet begrijpen?
  • Op wat voor manier kun je God hierbij betrekken?
  • Wie of wat zet jij wel op eens op een voetstuk? Waarom?
  • Wat kun je praktisch doen om God op nummer 1 te hebben en te houden?

Handelingen 14:15-28

Vers 17:

  • Welke grote zegeningen heb je van God gekregen in je leven?
  • Welke zegeningen heb je ontvangen in de afgelopen maand?
  • Welke zegeningen heb je in de afgelopen 24 uur van God gekregen?
  • Neem de tijd om God te danken voor zijn zegeningen.

Vers 22:

  • Op welke manier ben jij in de afgelopen periode bemoedigd?
  • Wat doet een bemoediging met je geloofsleven?
  • Wat doet het met je geloofsleven als je iemand anders bemoedigd?

Neem de tijd om aan God te vragen wie jij deze week mag bemoedigen.

Week 34 – 21 t/m 27 augustus 2017

Handelingen 15:1-21

Vers 1,2:

  • Hoe ga jij om met meningsverschillen binnen de kerk(en)?
  • Hoe ga je om met veroordelingen van medechristenen?
  • Hoe zou Jezus hiermee omgaan? Wat kun je van Jezus leren?

Vers 10:

  • Laat jij je weleens een juk op leggen of leg je anderen wel eens een juk op?
  • Hoe kun je jezelf of een ander die een juk (die niet van Jezus is) draagt helpen om vrij te komen van dat juk?

Handelingen 15:22-35

Vers 31:

  • Wat heeft jou onlangs bemoedigd?
  • Hoe kwam het dat je bemoedigd was?
  • Op wat voor manier heeft de bemoediging voor verandering gezorgd in je situatie, gevoel of denken, etc.?
  • Kun je deze bemoediging gebruiken om iemand anders te bemoedigen?
  • Vraag God wie jij deze week mag bemoedigen. Als je zelf behoefte hebt aan bemoediging, spreek dit dan ook uit naar God.

Vers 33:

  • Wie kun jij vrede toebidden? Breng het in de praktijk.

Handelingen 15:36 – Handelingen 16:10

Vers 36:

  • Op wat voor manier kun je positief betrokken zijn bij het geloofsleven van anderen?
  • Op wat voor manier kunnen mensen in jouw geloofsleven spreken zodat je opgebouwd mag worden. Deel dit met God en met mensen.

Vers 9:

  • Welke hulpvragen zie jij om je heen?
  • Met welke hulpvragen zou jij iets kunnen doen?
  • Vraag God of Hij je wilt laten zien op welke manier jij iemand kunt helpen.

Handelingen 16:11-25

Vers 18:

  • Op wat voor manier ben jij ‘lastig gevallen’ door invloeden van de duivel?
  • Hoe ga je daarmee om?
  • Wat kun je leren van de reactie van Paulus?
  • Zijn er nog invloeden van de duivel in je leven die je in de naam van Jezus de deur moet wijzen?
  • Neem de tijd om de invloed die de duivel op je leven heeft in de naam van Jezus weg te sturen. Vraag evt. iemand om met je mee te bidden of voor je te bidden.

Vers 23-25:

  • Wat kun je leren van vers 25?
  • Hoe kun je dit in de praktijk brengen?
  • Wat zijn de gevolgen voor je kijk op je omstandigheden en je relatie met God?

Handelingen 16:26-40

Vers 26-32:

  • Wat doe jij met je vrijheid?
  • Wat kun je leren van de reactie van Paulus en Silas op hun vrijheid?
  • Op wat voor manier zou jij je vrijheid nog beter kunnen benutten?

Vers 38:

  • Op wat voor manier kunnen mensen jou herkennen als burger van Gods Koninkrijk?

Hoe zou jij kunnen zorgen dat mensen meer onder de indruk zijn van Gods Koninkrijk en ook een burger daarvan willen worden?

Week 35 – 28 augustus t/m 3 september 2017

Handelingen 17:1-15

Vers 6,7:

In deze tijd worden veel dingen en mensen tot ‘koning’ gemaakt. (Dan bedoel ik niet het koningshuis). Mensen en dingen die als god worden gezien.

  • Hoe ga jij als christen om met de ‘koningen’ van deze wereld?
  • Hoe laat je zien dat Jezus jouw Koning is?
  • Hoe ga jij met mensen om die je niet begrijpen?
  • Hoe zou Jezus hiermee omgaan en wat kun je van Hem leren?

Vers 11:

  • Hoe maak jij het onderscheid tussen waarheid en leugen?
  • Wat kun je leren van vers 11?
  • Hoe kun je dit (nog meer) toepassen in je leven?

Handelingen 17:16-25

Vers 21:

  • Welke gespreksonderwerpen hoor jij vaak terug komen in gespreken?
  • Welke gespreksonderwerpen snijd jij vaak aan in gesprekken die je hebt?
  • Hoe zou je Jezus bij de gespreksonderwerpen kunnen betrekken?

Vers 22-25:

  • Wat kun je leren van deze verzen als het gaat om gesprekken voeren met mensen?
  • Hoe maak jij verbinding met mensen?
  • Hoe zou je die verbinding kunnen gebruiken om te vertellen wie Jezus is?
  • Neem de tijd om je met God te verbinden en vraag Hem of Hij je wil helpen om verbinding te maken met mensen om Zijn boodschap bekend te maken.

Handelingen 17:25-34

Vers 27:

  • Op wat voor manier merk jij dat God dichtbij is?
  • Hoe ga je om met situaties waarin God ver weg lijkt te zijn?
  • Welke bemoediging kun je voor jezelf of voor iemand anders, uit deze tekst halen? Spreek dit uit.

Vers 28:

  • Wat betekent deze tekst voor jou persoonlijk?
  • Op wat voor manier is dit vers zichtbaar in jouw leven?
  • Op wat voor manier kun je deze tekst (nog meer) praktisch toepassen in je leven?

Handelingen 18:1-17

Vers 6:

  • Hoe ga jij om met weerstand en spot van mensen?
  • Wat kun je leren van de reactie van Paulus?

Vers 9,10:

  • Mensen over Jezus vertellen kan soms best spannend zijn, omdat je niet altijd weet hoe mensen zullen reageren. Hoe ga jij hiermee om?
  • Op wat voor manier ervaar jij Gods bescherming?
  • Welke les kun je er voor jezelf uithalen als je vers 6 en vers 9,10 naast elkaar legt?
  • Bid God om wijsheid en inzicht om onderscheid te kunnen maken in welke situaties je het stof van je kleren mag afschudden en wanneer God wil dat je blijft spreken.

Handelingen 18:18-28

Vers 20,21:

  • Hoe ga je om met verzoeken van mensen?
  • Wat doe je als God je ergens voor roept?
  • Hoe ga jij om met verzoeken van mensen die niet matchen met hetgene wat God van je vraagt?
  • Bespreek dit met God en vraag Hem om wijsheid.

Vers 24-28:

  • Hoe ga je om met de kennis en ervaring die je hebt van je leven met God?
  • Hoe ga je om met nieuwe kennis en ervaring over het leven met God?
  • Op wat voor manier kun je tot steun zijn voor andere christenen?
  • Hoe hou je daarin je afhankelijkheid van God?
  • Wat zijn de gevolgen van in afhankelijkheid van God leven?

Dank God voor de kennis en ervaring die je van Hem hebt gekregen en spreek uit wat je nog zou willen leren.

Week 36 – 4 t/m 10 september 2017

Handelingen 19:1-20

Vers 11,12:

  • Welke dingen heb jij door Gods toedoen mogen doen?
  • Wat zeggen deze verzen jou over de kracht van God?
  • Op wat voor manier ervaar jij de kracht van God in jouw leven?
  • Waar zou je je nog naar willen uitstrekken?
  • Deel dit met God en vraag hem wat jij hierin mag ontvangen.

Vers 13-15:

Deze mannen handelden niet uit naam en autoriteit van Jezus.

  • Hoe kun je onderscheiden wat van God is en wat niet? (neem vers 16 hier ook in mee).

Vers 17:

  • Op welke manier vier jij de overwinning van God in jou leven en in de levens van de mensen om je heen?
  • Wat kun je leren van vers 17?

Handelingen 19:21-34

Vers 23-27:

  • Hoe ga jij om met de invloeden van mensen met aanzien en social media, etc.
  • Op welke manier kan dit je gedachten beïnvloeden?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat je niet beïnvloed wordt?

Vers 32:

  • Welke dingen kunnen jou in verwarring brengen? Hoe komt dit?
  • Hoe ga je met die verwarring om?
  • Hoe kun je zorgen dat je je focus houdt op de waarheid?

Handelingen 19:35-20:6

Vers 35-40:

Deze dwaalleer lijkt heel redelijk. De duivel kan ook leugens in je leven spreken die in eerste instantie redelijk lijken, maar je uiteindelijk bij God vandaan houden.

  • Welke leugens herken je die de wereld heeft aangenomen als waarheid, maar eigenlijk bedrog zijn en mensen weg houden van God?
  • Welke leugens in je leven herken je die in eerste instantie redelijk klonken, maar geen waarheid bleken te zijn?
  • Hoe ga je om met de leugens van de wereld en van je eigen leven?

Vers 1:

  • Wat is de reactie van Paulus op het tumult uit de vorige verzen?
  • Wat kun je daarvan leren?
  • Hoe kun je dit praktisch toepassen in relatie met de vragen van vers 35-40?

Handelingen 20:7-17

Vers 10:

  • In welke situatie in jouw leven heb jij wel eens de hoop opgegeven op verbetering/verandering?
  • Wat was de oorzaak dat je de hoop opgaf?
  • Hoe zou je nieuwe hoop en verwachting kunnen krijgen?
  • Hoe breng je dit in de praktijk?

Vers 11,12:

Als je de reactie van Paulus leest op vers 10 dan lijkt het of Paulus het de normaalste zaak van de wereld vindt dat er een enorm wonder gebeurd.

  • Hoe reageer jij op wonderen van God?
  • Hoe is jouw verwachting naar God als het gaat om wonderen?
  • Spreek je verwachting en verlangens uit naar God en dank Hem hiervoor.

Handelingen 20:18-38

Vers 22,23:

  • Op welke manier voel jij je geleid door de Heilige Geest?
  • Welke weerstand heb jij meegemaakt in het volgen van Jezus?
  • Hoe laat jij je leiden door de Heilige Geest als je weerstand ervaart?

Vers 36:

  • Welke gebedspunten heb jij op je hart als het gaat om leiders in de kerk, zendelingen, etc?

Bid voor de leiders in de kerk, de zendelingen, mensen werkzaam in missies, etc. Bid voor de vervolgde Christen wereldwijd.

Week 37 – 11 t/m 17 september

Handelingen 21:1-14

Vers 5:

  • Wat is de rol van gebed in jouw leven?
  • Hoe zou je jezelf en anderen kunnen aansporen om met elkaar in gebed te gaan?
  • Welke gebedsonderwerpen heb jij op je hart om in een groep voor te bidden?
  • Breng dit in de praktijk.

Vers 13:

  • Welke rol speelt Jezus in jouw leven?
  • Wat vind je van het antwoord van Paulus? Hoe sta je hier zelf in?
  • Neem de tijd om Jezus te vertellen wie Hij voor jou is.

Handelingen 21:15-26

Vers 21:

  • Hoe reageer jij als er over je wordt geroddeld of als er leugens over je worden verspreid?
  • Hoe zou Jezus willen dat je daarop reageert? Zit daar verschil tussen? Waarom wel/niet?
  • Neem de tijd om te bidden voor degenen die jou onrecht aandoen of hebben gedaan. Vraag God om hulp om hier op Zijn manier mee om te gaan.

Vers 23-26:

  • Hoe reageer jij als jou hulp wordt aangeboden?
  • Wat kun je leren van Paulus?
  • Hoe zou jij anderen hulp kunnen bieden (bijvoorbeeld hulp om mensen in hun eer te herstellen)?

Handelingen 21:27-40

Vers 36:

Jezus was vaak niet welkom, Paulus was niet welkom en Jezus in ons is vaak ook niet welkom.

  • Hoe reageer jij als je merkt dat mensen Jezus afwijzen?
  • Hoe reageer je als jijzelf wordt afgewezen?
  • Zit er verschil tussen het antwoord van de eerste en de tweede vraag? Waarom wel/niet?
  • Wat betekent het voor jou dat God jou nooit afwijst?

Vers 39,40:

  • Hoe zou jij reageren als je in de plaats van Paulus stond?
  • Wat vind je van de reactie van Paulus?
  • Wat kun je van Paulus leren?
  • Op welke manier kun je dit toepassen in je eigen leven?

Handelingen 22:1-13

Vers 2:

  • In de kerk kunnen we zo onze eigen taal hebben. Op welke manier pas jij je taal aan zodat niet-christenen je kunnen begrijpen als je praat over het geloof?

Vers 11:

  • Veel mensen zijn blind voor de waarheid. Hoe kun jij mensen de weg wijzen naar de waarheid?
  • Hoe zou jij mensen die aan het begin van hun reis met God staan kunnen helpen om meer van Gods waarheid te zien?
  • Als je zelf aan het begin van de reis met God staat, vraag God en mensen om je te helpen dichter bij Hem te komen.

Vers 13:

  • Wat vind je van de reactie van Ananias op Saulus? (bedenk daarbij dat Saulus Christenen zwaar vervolgde en dat Ananias een Christen was)
  • Wat kun je daar van leren?
  • God had ook tot Ananias gesproken, zoals we eerder in het boek Handelingen hebben gelezen. Vraag of God ook jou wil helpen om je vijanden in liefde te benaderen.

Handelingen 22:14-29

Vers 14,15,19,20:

Paulus was schuldig aan vervolging en moord en toch koos God Hem uit om het evangelie breed te verkondigen.

  • Wat betekend dit voor jou persoonlijk?
  • Voel jij je wel een ‘onwaardig’ om iets te doen voor God? Hoe denk je dat God hier naar kijkt?

Vers 22:

  • Hoe ga jij om met de hardheid en de veroordeling van de maatschappij waarin we leven?
  • Hoe kun je voorkomen dat jouw hart niet verhard en dat jij mensen veroordeelt?

Dank God dat Hij ons onvoorwaardelijk lief heeft! Vraag of God je wil helpen om Jezus te reflecteren ook op de plekken waar hardheid en veroordeling is.

Week 38 – 18 t/m 24 september

Handelingen 22:30 – 23:11

Vers1:

  • Op wat voor manier mag jij je leven in dienst van God stellen?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat je een zuiver geweten hebt/houdt?
  • Op wat voor manier betrek je God in het hebben van een zuiver geweten?

Vers 9:

  • Hoe ga jij om met verschillen van inzichten binnen de kerk(en)?
  • Op wat voor manier toets je de argumenten van mensen?
  • Op welke manier vorm jij je eigen mening?
  • Hoe betrek je God bij bovenstaande vragen?

Handelingen 23:12-22

Vers 12,15:

  • Waarom denk je dat er zo’n haat was naar Paulus?
  • Op welke manier zie je die haat in de wereld om je heen?
  • Waar denk je dat die haat vandaan komt?

Zoals de mannen uit dit tekstgedeelte niets liever wilden dan dood aan Paulus, zo is de duivel er voortdurend op uit ‘om te roven, te slachten en te vernietigen’ (Joh 10:10).

  • Op welke manier herken je dit in je eigen leven?
  • Hoe ga je hier mee om en op welke manier betrek je God hierin?
  • Bespreek met God op welke manier jij strijd ervaart en vraag Hem hoe jij hiermee om mag gaan. Dank Hem dat Hij in je woont en dat Hij (in jou) sterker is dan de duivel. (1joh4:4).

Handelingen 23:23-35

Vers 29:

De wet van de Romeinen was anders als die van de Joden. De Farizeeën en Schriftgeleerden legden de Joden ook wel zelfbedachte wetten op.

  • Welke ‘wetten’ worden jou weleens opgelegd door anderen?
  • Welke ‘wetten’ leg jij jezelf weleens op?
  • Waarom denk je dat die zelfbedachte wetten worden bedacht?
  • Hoe denk je dat God naar die zelfbedachte wetten kijkt?
  • Op welke manier kun je voorkomen dat je jezelf en anderen geen zelfgemaakte wetten oplegt?
  • Hoe kun je vanuit Gods perspectief het beste omgaan met mensen die jou hun eigen gemaakte wetten opleggen?
  • Neem de tijd om dit allemaal met God te bespreken en vraag Hem om hulp en wijsheid.

Handelingen 24:1-9

Vers 5:

  • Wat vind je van de beschuldiging in vers 5?
  • Waarom denk je dat Paulus op die manier werd beschuldigd?

Paulus had impact en wordt vergeleken met een besmettelijke ziekte.

  • Op welke manier kun jij meer impact hebben en mensen ‘besmetten’ met een leven met Jezus?

Vers 5- 9:

In een groep gelijkgestemden kan een gemeenschappelijke mening makkelijk als feit en referentiekader worden gebruikt om over anderen te oordelen.

  • Op welke manier herken jij dit in je omgeving?
  • Wat voor impact heeft dit op jouw denken en handelen?
  • Op welke manier zou je God meer in deze situaties kunne betrekken?
  • Neem de tijd om na te gaan welke referentiekaders in jouw leven een negatieve invloed hebben op jouw leven met God en met mensen. Vraag God of Hij je hiervoor de ogen wil openen en je wil helpen om in Zijn waarheid te gaan staan.

Handelingen 24:10-27

Vers 11:

  • Op welke plekken kun jij God ontmoeten?
  • Op welke manier kun jij God aanbidden?
  • Hoe maak jij ruimte in je leven om God te aanbidden?
  • Wat heb jij er voor over om meer tijd vrij te maken voor aanbidding?
  • Bespreek dit met God.

Vers 14:

Ook in deze tijd zijn er weinig mensen die de Bijbel als (volledige) waarheid aannemen.

  • Hoe ga je hiermee om?
  • Verwoord voor jezelf wat jij gelooft.
  • Op welke manier kun je dit aan mensen vertellen die dit niet geloven?

Vers 18:

Hoe houd jij je geweten zuiver? Op welke manier betrek je God hierbij?

Week 39 – 25 september t/m 1 oktober

Handelingen 25:1-12

Vers 8:

  • Hoeveel waarde hecht je aan de Europese/Nederlandse wet?
  • Hoeveel waarde hecht je aan de leefregels die God geeft in de Bijbel?
  • Hoeveel waarde hecht je aan de grenzen die mensen aangeven?
  • Zit er verschil van antwoord in bovenstaande vragen? Waarom wel/niet?
  • Hoe denk je dat God wil dat we met bovenstaande vragen omgaan?

Vers 11:

  • Hoe ga jij om met beschuldigingen?
  • Wat kun je leren van de reactie van Paulus? Op welke manier kun je dit toepassen in je eigen leven?
  • Op wie zou jij je beroepen als je ten onrechte wordt beschuldigd?
  • Op welke manier betrek je God bij dit alles?

Handelingen 25:13-22

Vers 19:

  • Hoe ga jij om met geschilpunten tussen jou en andere christenen?
  • Waar gaan die geschilpunten over?
  • Hoe zou Jezus omgaan met de geschilpunten?
  • Op welke manier kun jij Jezus tastbaarder maken voor mensen om je heen?
  • Hoe kun je aan de mensen om je heen laten zien dat Jezus (in jou) leeft?

Vers 22:

  • Wat vind je van de reactie van Agrippa?
  • Hoe reageer jij als je beschuldigingen over anderen hoort van iemand?
  • Hoe kun je zorgen dat mensen nieuwsgierig worden naar wat jij hebt te vertellen over je geloof?

Handelingen 25:23-26:3

Vers 23:

Het lijkt erop dat Agrippa in vers 23 indruk wil maken.

  • Herken je dit in je omgeving?
  • Herken je dit bij jezelf?
  • Waarom denk je dat mensen het belangrijk vinden om indruk te maken?
  • Waar kun jij, zowel positief als negatief, het meeste van onder de indruk zijn? Waarom ben je daarvan onder de indruk?
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat mensen op een positieve manier onder de indruk zijn van jouw leven als Christen?

Vers 1,2:

  • Wat vind jij van de reactie van Paulus? Wat kun je hiervan leren?
  • Hoe zou jij je geloof in Jezus bepleiten?

Handelingen 26:4-18

Vers 6-8:

  • Herken jij die vraag in vers 8? Hoe ga je ermee om als mensen niet geloven in de macht van God en de opstanding van Jezus?
  • Hoe kijken mensen in jouw omgeving naar God? Hoe ga je daar mee om?
  • Welke hoop haal jij uit de Bijbel?
  • Op wat voor manier is die hoop zichtbaar in jouw leven?

Vers 16-18:

  • Op welke manier heeft God zich aan jou laten zien?
  • Wat betekent dit voor je en voor de manier waarop je in het leven staat?
  • Op welke manier kun je hiervan getuigen?
  • In vers 17 en 18 doet God een geweldige belofte aan Paulus.
    Wat betekent deze belofte voor jou persoonlijk?

Handelingen 26:19-32

Vers 20:

  • Op welke manier kunnen mensen aan jouw manier van leven zien dat jij christen bent?
  • In welke situaties moet jij keuzes maken tussen de ‘wereldse’ manier van leven en het leven met Jezus?
  • Als er situaties zijn waarin jij het moeilijk vindt om voor het leven met Jezus te kiezen; breng dit bij God en vraag Hem om hulp.

Week 40 – 2 t/m 8 oktober

Handelingen 27:1-12

Ik weet niet hoe het bij jou is, maar de reis die in deze geschiedenis wordt beschreven heeft raakvlakken met de reis die ik met God heb; op nieuwe plekken komen, soms tegenwind, af en toe niet vooruit komen en toch aankomen in de Goede haven.

  • Welke raakvlakken herken jij vanuit je eigen leven?
  • Hoe zou jij je reis met God beschrijven?
  • Op welke manier kun je zien dat God jouw leven heeft geleid/leidt?

Vers 11:

  • Op welke manier maak jij belangrijke keuzes in je leven?
  • Op wie stel jij je vertrouwen als je belangrijke keuzes moet maken in het leven?
  • Wat zijn de gevolgen als je vertrouwen op God stelt?
  • Op welke manier is God jouw veiligheid?
  • Welke stormen herken jij in je eigen leven?
  • Hoe ga/ging je om met deze stormen?
  • Op welke manier(en) heb je ervaren dat God bij je was/is in die stormen?
  • Wat hebben de stromen gedaan met je geloofsleven? Hoe komt dit denk je?
  • Ben je weleens in een storm terecht gekomen omdat je niet naar God luisterde?
  • Hoe ben je uit die storm gekomen? Herken je Gods leiding daarin?

Handelingen 27:13-26

Vers 22-25:

  • Op welke manier zie jij Gods trouw in jouw leven? (In je happy en door je crappy).
  • Neem de tijd om God te danken voor wat Hij heeft gedaan in je leven; hoe hij je door stormen heen heeft geholpen, voor de trouw die Hij heeft laten zien.

Handelingen 27:27-44

Vers 34-36:

  • In welke situaties haalde jij moed uit het voorbeeld wat een ander gaf?
  • In welke situaties kon jij een voorbeeld zijn voor anderen en daarmee anderen bemoedigen?
  • Hoe word jij bemoedigd door het voorbeeld wat Jezus geeft?
  • Waarin volg jij het voorbeeld van Jezus? Op welke manier bemoedig je anderen daarmee?

Vers 38:

  • Welke dingen heb jij nog in je leven die je beter ‘overboord’ kunt gooien?
  • Wat zou het gevolg zijn als je die dingen ‘overboord’ gooit?
  • Neem de tijd om met God te delen welke dingen je in je leven je ‘overboord’ wil gooien en vraag Hem je daarbij te helpen.

Handelingen 28:1-16

Vers 1-10:

  • Wat vind jij van de wonderen die beschreven staan in deze geschiedenis?
  • Welke wonderen (groot of klein) herken jij in je eigen leven?
  • Op welke manier ervaar je dat God jouw beschermt?
  • Op welke manier ervaar je dat God door je heen werkt?
  • Wat betekent dit voor jouw persoonlijke relatie met God?

Vers 13-16: voorspoed en bemoediging.

  • Op welke manier herken je de voorspoed en bemoediging die God geeft in jouw leven?
  • Wat was jouw reactie op de voorspoed en bemoediging?
  • Op welke manier kun je God de eer geven van voorspoed in jouw leven?
  • Neem de tijd om God te danken voor de zegeningen in je leven.

Handelingen 28:17-31

Vers 22,23:

  • Op welke manier kun jij mensen nieuwsgierig maken naar jouw denkbeelden over het geloof?
  • Op welke manier houd jij rekening met tegenstand als je je geloof deelt?
  • Op welke manier leg jij uit wat je gelooft?
  • Wat kun je leren van de manier waarop Paulus het evangelie uitlegt? Hoe kun je dit voor jezelf toepassen?

Vers 31:

  • Hoe vind jij de vrijmoedigheid om te praten over je geloof?
  • Wat zijn de gevolgen als je vrijmoedig kunt praten over het geloof voor jezelf en voor anderen?
  • Neem de tijd om aan God te vragen met wie jij in de komende week over het geloof mag praten. Vraag Hem om wijsheid en vrijmoedigheid.